ECLI:NL:RBDHA:2023:3760
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende aantoonbare familieband en binding met land van herkomst
Eiser, van Iraakse nationaliteit, verzocht om een visum voor kort verblijf met als doel familiebezoek aan zijn zus en haar zoon. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en er twijfel bestond over de tijdige terugkeer van eiser naar Irak.
Eiser voerde in bezwaar aan dat hij een eigen bedrijf en woning heeft in Irak, en familieleden achterlaat, maar kon dit onvoldoende met vertaalde documenten onderbouwen. Ook was de familieband met de referent niet met objectieve stukken aangetoond. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het bezwaar ongegrond verklaarde.
De rechtbank overwoog dat het ontbreken van vertalingen van documenten, het niet overleggen van huwelijks- en geboorteakten, en het ontbreken van een ticketreservering en reisverzekering, meebrachten dat het doel en de omstandigheden van het verblijf niet aannemelijk waren gemaakt. Ook was de sociale en economische binding onvoldoende om tijdige terugkeer te garanderen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en een hoger beroep is niet mogelijk. De rechtbank wees tevens een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard.