ECLI:NL:RBDHA:2023:3789
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening visum kort verblijf wegens ontbreken zwaarwegend spoedeisend belang
Verzoeker, een Ugandese nationaliteit dragende man, heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf om terug te keren naar Nederland, waar hij een lopende aanvraag heeft voor rechtmatig verblijf bij zijn minderjarige Nederlandse dochter op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft deze visumaanvraag afgewezen omdat verzoeker het doel en de omstandigheden van zijn verblijf niet voldoende heeft aangetoond.
Verzoeker stelde dat het weigeren van het visum hem zou beletten zijn medische behandeling voor een Hiv-infectie in Nederland voort te zetten, wat een schending van artikel 3 EVRM Pro zou betekenen. Tevens beroept hij zich op zijn gezinsleven met zijn dochter en het behoud van zijn baan in Nederland. De voorzieningenrechter overwoog dat de medische situatie sinds het laatste advies van het Bureau Medische Advisering niet wezenlijk is veranderd en dat adequate behandeling in Uganda beschikbaar is, zodat geen schending van artikel 3 EVRM Pro aannemelijk is.
Daarnaast is het bezwaar tegen de afwijzing van zijn verblijfsaanvraag ongegrond verklaard, waardoor verzoeker ten tijde van de zitting geen rechtmatig verblijf had. De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening geen voorlopig karakter heeft en alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden toegewezen, wat hier niet aan de orde is.
De behandeling van het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsaanvraag is met voorrang gepland, wat de spoed van de zaak onderstreept. Uiteindelijk wees de voorzieningenrechter het verzoek af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt afgewezen.