ECLI:NL:RBDHA:2023:3805

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
23 maart 2023
Zaaknummer
AWB 22/5860
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering machtiging voorlopig verblijf en vrijstelling inburgeringsexamen

Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij referent. Verweerder wees dit verzoek op 24 februari 2022 af. Na bezwaar verklaarde verweerder het bezwaar op 30 augustus 2022 ongegrond. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank behandelde het beroep op 2 maart 2023. Eiseres voerde aan analfabeet te zijn en niet te kunnen voorzien wanneer zij het inburgeringsexamen zou halen, wat psychische klachten bij referent zou verergeren. Verweerder stelde dat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling van het examen en dat de omstandigheden onvoldoende waren om vrijstelling te verlenen.

De rechtbank oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet in staat is het inburgeringsexamen te halen en dat verweerder de omstandigheden voldoende had betrokken. Ook was niet gebleken dat de psychische klachten van referent zodanig waren dat vrijstelling gerechtvaardigd was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en eiseres kreeg vrijstelling van griffierecht.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag mvv en vrijstelling inburgeringsexamen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/5860

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

2 maart 2023 in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1977, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [referent] (hierna: referent) om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’ ten behoeve van eiseres afgewezen.
Namens eiseres is hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 30 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2023. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door [zoon van referent] (zoon van referent). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.

Overwegingen

Ten aanzien van de vrijstelling tot betaling van het griffierecht
1. De rechtbank geeft eiseres vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht. Eiseres heeft namelijk aannemelijk gemaakt dat zij daarvoor in aanmerking komt.
Ten aanzien van de vrijstelling van het inburgeringsexamen
2. Eiseres voert in beroep aan dat zij analfabete is en, zelfs met bijzondere inspanningen, niet te voorzien is wanneer zij zal slagen voor het inburgeringsexamen. Referent kan hier niet mee omgaan. Hij heeft al jaren invaliderende psychische klachten. Deze klachten nemen toe omdat hij moet wachten op eiseres en niet weet wanneer zij naar Nederland komt. Deze omstandigheden op zichzelf en tezamen moeten bij de beoordeling worden betrokken.
3. Volgens verweerder voldoet eiseres niet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het inburgeringsexamen. Verweerder ziet in de omstandigheden geen aanleiding eiseres de gevraagde vrijstelling te verlenen.
4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres het basisexamen inburgering in het land van herkomst moet halen en tot nu toe niet heeft gehaald. In deze zaak moet worden beoordeeld of eiseres vanwege bijzondere individuele omstandigheden moet worden vrijgesteld van het inburgeringsvereiste.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar niet mogelijk is om (delen van) het inburgeringsexamen te halen. Hierbij heeft verweerder mogen betrekken dat niet blijkt dat eiseres zich op een passende wijze heeft voorbereid op het examen en heeft geprobeerd het examen te halen. De verklaring van de zoon van referent ter zitting dat eiseres pakketten en taallessen heeft gekregen vanaf augustus 2021 is niet met stukken onderbouwd.
6. Dat referent toenemende mate klachten ervaart door de onzekerheid rondom de komst van eiseres, is niet onderbouwd of gebleken. Daarbij komt dat referent ook ervoor kan kiezen naar eiseres toe te gaan en in Marokko hun gezinsleven voort te zetten. De genoemde bijzondere omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende mogen achten voor vrijstelling en voldoende betrokken bij de besluitvorming. Verweerder heeft mogen beslissen dat deze omstandigheden niet zodanig zijn dat aan eiseres een vrijstelling verleend moet worden.
Ten aanzien van het huwelijk
7. De rechtbank stelt tenslotte vast dat eiseres tegen de tweede weigeringsgrond (te weten dat het huwelijk van eiseres en referent niet met stukken is onderbouwd) geen gronden van beroep heeft aangevoerd.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2023.
De rechter is verhinderd
het proces-verbaal te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.