ECLI:NL:RBDHA:2023:3875

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 maart 2023
Publicatiedatum
23 maart 2023
Zaaknummer
SGR 19/3216
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking omgevingsvergunning biomassacentrale

Verzoeker had beroep ingesteld tegen een omgevingsvergunning voor het realiseren van een biomassacentrale. Het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen verklaarde het bezwaar van verzoeker ongegrond. Later trok het college het bestreden besluit in op verzoek van de vergunninghouder.

Na intrekking van het besluit trok verzoeker zijn beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb, omdat het besluit was ingetrokken op andere gronden dan die in het beroepschrift waren aangevoerd.

Verder constateerde de rechtbank dat verzoeker geen partij was in andere procedures tegen vergelijkbare biomassacentrales, ondanks zijn opmerkingen daarover in het beroepschrift. De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding daarom af.

De uitspraak werd gedaan door rechter D.A.J. Overdijk op 22 maart 2023, zonder zitting, en is verzonden aan partijen.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het bestuursorgaan niet is tegemoetgekomen aan het beroepschrift.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/3216

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2023 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen, het college

(gemachtigde: E.M. Herben, werkzaam bij de Omgevingsdienst Midden-Holland).
Als derde-partij neemt aan het geding deel
Waddinxveense Groenrecycling Wagro B.V.te Waddinxveen
(gemachtigde: mr. A.M. van de Laar).

Procesverloop

In het besluit van 18 april 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen de verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een biomassacentrale op het perceel aan de [adres] bij nummer [nummer] ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 14 november 2022 heeft het college het bestreden besluit ingetrokken op verzoek van Wayland Energy B.V. (vergunninghouder).
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep bij brief van 18 januari 2023 ingetrokken met daarbij het verzoek het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat het bestreden besluit is ingetrokken op verzoek van vergunninghouder en dat het verzoek om een proceskostenvergoeding daarom moet worden afgewezen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb is sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd.
4. Uit het besluit van 14 november 2022, waarin de omgevingsvergunning is ingetrokken, blijkt dat de intrekking het gevolg is van een op 19 oktober 2022 daartoe ingediend schriftelijk verzoek van vergunninghouder. Het besluit is dus genomen op andere gronden dan verzoeker heeft aangevoerd in zijn beroepschrift. Het college is daarom niet aan het beroep van verzoeker tegemoetgekomen, als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het college te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
5. Ter voorlichting aan verzoeker merkt de rechtbank nog het volgende op. Op 8 februari 2023 – en dus na het intrekken van het beroep door verzoeker – heeft de rechtbank verschillende beroepen op zitting behandeld tegen besluiten over twee andere biomassacentrales, te weten die van Wagro B.V. en Beijerinck B.V.. Verzoeker is ter zitting verschenen en heeft daar meegedeeld dat zijn beroep zich ook richt tegen het realiseren van die twee biomassacentrales. Van een beroep tegen een besluit over één van die biomassacentrales is de rechtbank echter niet gebleken. In zijn beroepschrift van
20 mei 2019 vermeldt verzoeker dat hij zich richt tegen het besluit met betrekking tot de biomassacentrale van Wayland Energy B.V.. Het door hem genoemde kenmerk (Z/19/027628-68269) klopt daar ook mee. Verzoeker heeft er in dit beroepschrift geen melding van gemaakt dat hij ook opkomt tegen besluiten die zien op de andere twee biomassacentrales. Hij beperkt zich in zijn beroepschrift tot de opmerking dat het realiseren van de andere biomassacentrales betrokken had moeten worden bij de beoordelen van de vergunningaanvraag van Wayland Energy B.V.. Deze opmerking kan niet worden aangemerkt als het instellen van beroep tegen besluiten ten aanzien van de andere twee biomassacentrales, zodat verzoeker dus geen partij is in één van die procedures.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Brand, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.