ECLI:NL:RBDHA:2023:3891
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs van eerwraak en bedreiging
Eiser, een Pakistaanse staatsburger geboren in 2000, verzocht om een verblijfsvergunning asiel na conflicten met een familielid, [A], die leidde tot geweld en bedreigingen. Hij verklaarde dat [A] hem met een mes had gestoken en dat hij vreest voor zijn leven bij terugkeer naar Pakistan.
De Staatssecretaris wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de dreigingen na het steekincident. De rechtbank toetste dit en concludeerde dat de aanvallen op de oom en de steekpartij geloofwaardig zijn, maar de latere bedreigingen niet. Tevens oordeelde de rechtbank dat er geen sprake is van eerwraak, omdat dit fenomeen vooral vrouwelijke slachtoffers betreft en eiser niet heeft aangetoond dat hij zijn familie te schande heeft gemaakt.
De rechtbank vond dat eiser onvoldoende concrete details gaf over de bedreigingen en de straf van [A], terwijl dit verwacht mocht worden gezien het belang voor zijn asielverhaal. Ook het ontbreken van aangiften na de steekpartij en het feit dat eiser nog contact heeft met zijn moeder, ondermijnden zijn geloofwaardigheid.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de asielaanvraag af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van dreiging en eerwraak.