Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,00.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Eritrese nationaliteit, werd op 7 februari 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de ophouding onrechtmatig was omdat deze op een verkeerde wettelijke grondslag was gebaseerd; hij had volgens hem op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw moeten worden opgehouden. De rechtbank stelde vast dat dit gebrek in het voortraject aanwezig was, maar dat het een gering gebrek betrof omdat een juiste grondslag voor ophouding beschikbaar was.
Verder wees verweerder erop dat eiser niet meewerkte aan zijn overdracht naar Duitsland en zich eerder aan overdracht had onttrokken. De rechtbank oordeelde dat ondanks het gebrek de bewaring niet onrechtmatig was. Daarnaast voerde eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend was bij de landoverdracht, maar de rechtbank vond dat de procedure adequaat was verlopen gezien de vereiste kennisgevingstermijn aan Duitse autoriteiten en operationele capaciteiten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde verweerder in de proceskosten van € 1.674,00 vanwege het geringe gebrek in de ophouding. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Verduijn en griffier S.J. Valk op 28 februari 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.