ECLI:NL:RBDHA:2023:3988

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
27 maart 2023
Zaaknummer
NL22.18853
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 DublinverordeningArt. 5 DublinverordeningArt. 6:22 AwbVreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag afgewezen wegens Dublinprocedure, beroep ongegrond verklaard

Eiser, een Tunesische asielzoeker, diende op 3 april 2022 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat werd geaccepteerd.

Eiser stelde dat hij niet correct was gehoord en niet de vereiste informatie had ontvangen, waaronder het niet uitreiken van de gemeenschappelijke brochure en het te laat ontvangen van het gehoorrapport. De rechtbank erkende een zorgvuldigheidsgebrek wegens het niet uitreiken van de brochure, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe omdat eiser niet concreet was benadeeld.

Verder oordeelde de rechtbank dat het gehoor 'bescherming EU' op 13 april 2022 voldeed aan de vereisten en dat een aanvullend gehoor niet noodzakelijk was. Het rapport van het gehoor was tijdig toegezonden samen met het voornemen, waarna eiser zijn zienswijze kon geven. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.674.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en de staatssecretaris is veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.18853

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Epema).

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Görsültürk, waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Tunesische nationaliteit te hebben. Op 3 april 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert aan dat ten onrechte geen sprake is geweest van een persoonlijk onderhoud zoals bedoeld is in artikel 5 van Pro de Dublinverordening, nu van hem slechts een gehoor ‘bescherming EU’ is afgenomen. Daarnaast heeft eiser niet de informatie zoals bedoeld in artikel 4 van Pro de Dublinverordening ontvangen. Tot slot heeft eiser het rapport van gehoor niet tijdig ontvangen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Eiser voert terecht aan dat verweerder niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening heeft gehandeld door aan eiser niet de in het tweede lid genoemde gemeenschappelijke brochure uit te reiken. Er is daarom sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. Dit gebrek kan echter worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb, [3] aangezien eiser niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser ten tijde van het gehoor ‘bescherming EU’ wel is geïnformeerd door de hoormedewerker over de mogelijkheid van de Dublinprocedure. Daarnaast is eiser in de gelegenheid gesteld om aanvullende bezwaren tegen een overdracht naar Duitsland in te dienen, terwijl hij daarbij werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij desondanks concreet is benadeeld.
5. Eiser wordt niet gevolgd in zijn betoog dat verweerder in strijd met artikel 5 van Pro de Dublinverordening heeft gehandeld door geen aanvullend gehoor af te nemen in het kader van de Dublinprocedure. Uit het dossier blijkt dat van eiser op 13 april 2022 een gehoor ‘bescherming EU’ is afgenomen, omdat uit Eurodac bleek dat eiser in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel in Duitsland. Tijdens dit gehoor is eiser onder meer in de gelegenheid gesteld om te verklaren over zijn bezwaren tegen terugkeer naar Duitsland. Diezelfde dag is gebleken dat de informatie uit Eurodac onjuist was en dat eisers asielaanvraag in Duitsland is afgewezen, waarna verweerder heeft meegedeeld dat eisers asielaanvraag verder wordt behandeld in de Dublinprocedure. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat er geen aanleiding is om een aanvullend gehoor af te nemen omdat alle bezwaren reeds zijn uitgevraagd. Wel is aan eiser de gelegenheid geboden om zijn bezwaren aan te vullen. Gelet op deze gang van zaken is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van strijdigheid met artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder was niet gehouden eiser opnieuw uit te nodigen voor een gehoor. De rechtbank merkt bovendien op dat eiser zowel in zijn zienswijze als in de gronden van beroep geen aanvullende bezwaren tegen de overdracht aan Duitsland kenbaar heeft gemaakt.
6. Eiser wordt ook niet gevolgd in zijn stelling dat verweerder het rapport van gehoor te laat aan hem heeft bekendgemaakt. Gebleken is dat het rapport van gehoor tezamen met het voornemen aan eiser is toegezonden. Dit is in overeenstemming met het beleid van verweerder dat is neergelegd in paragraaf C1/2.6 van de Vc. [4] Eiser heeft voorts - met kennis van het rapport van gehoor - zowel zijn correcties en aanvullingen op het gehoor kunnen geven als zijn zienswijze op het voornemen naar voren kunnen brengen. Pas daarna heeft verweerder zijn besluit over de asielaanvraag van eiser genomen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb ziet de rechtbank wel aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Vreemdelingencirculaire 2000.