ECLI:NL:RBDHA:2023:404
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen schending gelijkheidsbeginsel bij verhuurderheffing mede-eigendom 2019 en 2020
De rechtbank Den Haag behandelde beroepen tegen de verhuurderheffing voor de jaren 2019 en 2020. Eiseres betoogde dat het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 leidde tot ongelijke behandeling tussen mede-eigenaars en volle eigenaars van onroerende zaken, wat volgens haar het gelijkheidsbeginsel schond. Tevens stelde zij dat de reparatiewetgeving die terugwerkende kracht verleende, onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat mede-eigendom en vol eigendom geen feitelijk en rechtens gelijke gevallen zijn, mede omdat de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II een onderscheid maakt tussen deze situaties. Hierdoor is er geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Ook werd geoordeeld dat de mededeling van de Belastingdienst over het niet opnemen van mede-eigendommen in de aangifte geen begunstigend beleid is, maar een gevolg van het arrest.
Ten aanzien van de reparatiewetgeving stelde de rechtbank dat deze alleen betrekking heeft op mede-eigendom, wat niet op eiseres van toepassing is. Daarom is de terugwerkende kracht van die wetgeving voor haar niet relevant. Het verzoek om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad werd afgewezen. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de verhuurderheffing 2019 en 2020 worden ongegrond verklaard omdat mede-eigendom en vol eigendom geen gelijke gevallen zijn en de reparatiewetgeving niet op eiseres van toepassing is.