ECLI:NL:RBDHA:2023:4093
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenrecht
Verzoeker heeft bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag ingediend om uitstel van vertrek te verkrijgen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank.
Het verzoek om een voorlopige voorziening, waarmee werd beoogd de uitzetting op te schorten totdat op het bezwaar was beslist, werd connex behandeld met het beroep. Op de zitting op 22 maart 2023 was verzoeker niet aanwezig; de gemachtigde van verweerder was wel aanwezig.
De voorzieningenrechter overwoog dat nu de rechtbank op dezelfde dag uitspraak had gedaan in de hoofdzaak (het beroep), er geen noodzaak meer was voor een voorlopige voorziening. Daarom werd het verzoek afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.