AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen weigering behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, van Turkse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Verweerder weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat op grond van de Dublinverordening was vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had op 7 februari 2023 een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat dit op 10 februari 2023 aanvaardde.
Eiser voerde aan dat hij zijn gezinsleven in Nederland met zijn minderjarige dochter wil continueren en dat hij kampt met psychische klachten die een overdracht naar Duitsland zouden verhinderen op grond van artikel 17 DublinverordeningPro. Hij overhandigde foto’s ter ondersteuning van zijn gezinsbanden, maar leverde geen medische documenten ter onderbouwing van zijn psychische klachten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de aanvraag in Nederland te behandelen, omdat de psychische klachten onvoldoende waren onderbouwd en de Dublinverordening niet bedoeld is als route voor regulier verblijf bij familie. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter C.H. de Groot en openbaar gemaakt op 28 maart 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.6770
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft eiser een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL23.6771. Hierop zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 7 februari 2023 Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard op 10 februari 2023.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser wenst zijn gezinsleven in Nederland te continueren en op te bouwen met zijn kind uit zijn vorige relatie. In dat kader heeft eiser foto’s overgelegd die blijk geven van deze relatie. Eiser kampt daarnaast met een kwetsbare psychische gesteldheid. De dreigende uitzetting naar Duitsland speelt hier ook een expliciete rol in. Dit dient opgevat te worden als een beroep op artikel 17 vanPro de Dublinverordening. Een overdracht naar Duitsland zal leiden tot onevenredige hardheid.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
Als het gaat om medische zorg is het aan eiser om aan te tonen dat zijn overdracht een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische of psychische situatie inhoudt (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2129). Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de gestelde psychische klachten niet met documenten zijn onderbouwd. Dergelijke stukken zijn door eiser dan ook niet overgelegd.
4.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het asielverzoek van eiser in Nederland in behandeling te nemen. Eiser heeft een beroep gedaan op het kunnen continueren van zijn gezinsleven in Nederland met zijn minderjarige dochter. Verweerder stelt niet ten onrechte dat uit de Dublinverordening weliswaar waarborgen volgen met betrekking tot het familie- en gezinsleven, maar dat deze verordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid kan worden verkregen, omdat daar andere regelingen voor open staan. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de behandeling van de aanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, aan zich had moeten trekken.
5. Het beroep is kennelijk ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.