Eiser diende op 24 januari 2022 een asielaanvraag in bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Volgens de Vreemdelingenwet 2000 moest binnen zes maanden een besluit worden genomen, uiterlijk op 24 juli 2022. Eiser stelde de staatssecretaris op 30 juni 2022 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen, maar deze ingebrekestelling was prematuur omdat de beslistermijn nog niet was verstreken.
Hierdoor voldeed het beroep dat eiser op 18 juli 2022 instelde niet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De staatssecretaris had op 27 oktober 2022 alsnog een besluit genomen en de asielaanvraag ingewilligd. Eiser reageerde niet tijdig op het verzoek van de rechtbank om een reactie op dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.