Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], verzoeker
(gemachtigde: mr. F.H Bruggink),
Rechtbank Den Haag
Verzoeker diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 7 december 2021. Tijdens de procedure heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het asielverzoek alsnog ingewilligd bij besluit van 25 augustus 2022. Vervolgens trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om op het verzoek tot proceskostenvergoeding te reageren, maar hiervan is geen gebruik gemaakt. Op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de uitspraak zonder zitting gedaan.
De rechtbank oordeelt dat verweerder door het alsnog inwilligen van de asielaanvraag geheel aan het beroep tegemoet is gekomen, waardoor het verzoek tot proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond wordt toegewezen. De proceskosten worden vastgesteld op €418,50, gebaseerd op een punt voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor licht vanwege de beperkte aard van het beroep.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van €418,50 aan proceskosten na intrekking van het beroep wegens ingewilligde asielaanvraag.