ECLI:NL:RBDHA:2023:4271
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij intrekking verblijfsvergunning
Eiseres 1 en haar drie dochters (eiseressen 2, 3 en 4) hadden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afhankelijk van de verblijfsvergunning van hun referent, de heer [A]. Deze verblijfsvergunning werd ingetrokken per 1 september 2019 omdat de verblijfsvergunning van de referent was ingetrokken. Verweerder verklaarde het bezwaar van eiseressen tegen deze intrekking ongegrond.
Eiseressen dienden vervolgens een beroepschrift in, maar dit werd ruim buiten de wettelijke termijn van vier weken na het bestreden besluit ingediend. Eiseressen stelden dat het besluit niet correct aan hen was bekendgemaakt omdat het alleen aan de gemachtigde van de referent was gestuurd, aan wie zij geen machtiging hadden gegeven.
De rechtbank oordeelde echter dat de gemachtigde van de referent ook als gemachtigde van eiseressen optrad, gelet op eerdere correspondentie en machtigingen. Volgens de artikelen 2:1 en 6:17 van de Awb geldt dat een besluit dat aan een bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden als rechtsgeldig bekendgemaakt wordt beschouwd. Daarom was de termijnoverschrijding niet verschoonbaar en werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseressen wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.