ECLI:NL:RBDHA:2023:4278

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2023
Publicatiedatum
29 maart 2023
Zaaknummer
NL23.1562 en NL23.1563
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Vw 2000Art. 29 Vw 2000EVRM art. 3Kwalificatierichtlijn art. 15
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs identiteit en sociaaleconomische motieven

Eiser, die stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn, diende een asielaanvraag in met als grond dat zijn situatie in Algerije uitzichtloos is vanwege sociaaleconomische omstandigheden en een steekincident. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de motieven voornamelijk sociaaleconomisch zijn en eiser onvoldoende bewijs leverde van zijn identiteit en nationaliteit.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet voldoende heeft aangetoond dat hij Algerijnse nationaliteit bezit, mede omdat hij geen officiële documenten heeft overlegd. Daarnaast is niet gebleken dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Algerije. Sociaaleconomische motieven zijn geen grond voor asiel.

Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De rechtbank benadrukt dat tegen deze uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening geen rechtsmiddel openstaat en wijst op de mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.1562 (beroep) en NL23.1563 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], eiser, V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: F. Saglik).

ProcesverloopBij besluit van 11 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL23.1562). Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL23.1563).
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 9 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1993. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat zijn (levens)omstandigheden in Algerije uitzichtloos zijn, nu hij op straat leeft, geen werk heeft en er slechte voorzieningen zijn. Hij wenst in Nederland, in ieder geval buiten Afrika, een toekomst op te bouwen.
2. Verweerder heeft eisers asielvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij Algerije vooral heeft verlaten vanwege sociaaleconomische motieven. [1] Dergelijke omstandigheden worden niet aangemerkt als een relevant element, wat maakt dat eiser niet aangemerkt wordt als Verdragsvluchteling. [2] Uit eisers verklaringen volgt volgens verweerder evenmin dat eiser bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade. Omdat eiser zich zonder gegronde reden niet zo snel als mogelijk bij verweerder heeft gemeld om een asielaanvraag in te dienen – maar hij eerst één week bij een vriend in [plaats] heeft verbleven – heeft verweerder ook om die reden eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [3] Verweerder volgt eiser vooralsnog in zijn hier te lande opgegeven identiteit, maar merkt op dat eiser wisselend over zijn identiteit en over het bezit van een ID-document heeft verklaard.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser vindt dat hij wel degelijk zijn identiteit en Algerijnse nationaliteit genoegzaam heeft aangetoond. Verder vindt eiser dat verweerder ten onrechte stelt dat hij alleen sociaaleconomische motieven aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Het feit dat eiser met een mes op straat is gestoken, kan niet als toeval of willekeur worden aangemerkt, aangezien er in Algerije continu vechtpartijen en berovingen op straat zijn. Dit maakt dat eiser in Algerije te vrezen heeft voor zijn leven en Algerije niet is aan te merken als veilig land van herkomst.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Identiteit en nationaliteit
4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond door middel van het tijdens een gehoor aan verweerder tonen van opgeslagen foto’s van zijn nationale identiteitskaart en geboorteakte. Verweerder stelt namelijk terecht dat uit het verslag van het aanmeldgehoor Dublin van 5 oktober 2022 niet blijkt dat eiser opgeslagen foto’s van voornoemde documenten aan verweerder heeft laten zien. Voor zover eiser in bezit zou zijn van (kopieën van) dergelijke identificerende documenten, is het aan eiser om die documenten aan verweerder te overleggen en aan het (proces)dossier toe te voegen. Niet valt in te zien waarom eiser dit niet heeft gedaan. Dit laat evenwel onverlet dat verweerder in het bestreden besluit de door eiser opgegeven identiteit en nationaliteit als uitgangspunt heeft genomen.
Relevante elementen
5. De rechtbank is van oordeel dat eisers betoog dat hij meer dan alleen sociaaleconomische motieven aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd, niet slaagt. In dat kader stelt de rechtbank voorop dat Algerije in het bestreden besluit niet is aangemerkt als veilig land van herkomst, wat maakt dat die grond geen verdere bespreking behoeft. Voor zover eiser stelt dat de algemene situatie in Algerije zodanig is dat hij alleen al door verblijf in Algerije in een situatie terechtkomt die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM [4] dan wel artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, overweegt de rechtbank dat eiser in het geheel geen documenten heeft overgelegd die dit onderbouwen. Dat eiser stelt zelf te maken hebben gehad met een steekincident, heeft verweerder in dat kader onvoldoende mogen vinden. Hierover heeft verweerder namelijk terecht gesteld dat niet is gebleken dat eiser bij voorkomende problemen geen hulp kan inroepen van de Algerijnse autoriteiten, waarbij meeweegt dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij met betrekking tot het gestelde steekincident geen aangifte heeft gedaan.
Herhaling zienswijze
6. De rechtbank overweegt dat de beroepsgronden voornamelijk een herhaling van de zienswijze zijn, en eiser in het beroepsschrift ook heeft verzocht de inhoud van alle gewisselde stukken als hier herhaald en ingelast te beschouwen. Verweerder heeft in het bestreden besluit op de zienswijze gereageerd. Voor zover eiser in beroep niet heeft aangegeven waarom de reactie van verweerder tekortschiet, kan de beroepsgrond hierom al niet slagen.
Wat is de conclusie?
7. Verweerder heeft de eisers asielaanvraag op goede gronden afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
9. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Petersen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u, voor zover dit ziet op het beroep, een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
3.Met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.