ECLI:NL:RBDHA:2023:4291
Rechtbank Den Haag
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over buitenbehandelingstelling aanvraag uitstel van vertrek en toetsing aan artikel 8 EVRM
Eiser, een Pakistaanse nationaliteit houdende vreemdeling, diende een aanvraag in voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris stelde de aanvraag buiten behandeling omdat eiser niet binnen de gestelde termijn de gevraagde medische stukken aanleverde, ondanks meerdere verzoeken en verleend uitstel. Eiser voerde aan dat hij niet bewust weigerde de stukken te overleggen en dat het Bureau Medische Advisering (BMA) ook op basis van de beschikbare gegevens advies had kunnen uitbrengen. Tevens stelde hij dat zijn rechten op grond van artikel 8 en Pro artikel 3 EVRM Pro werden geschonden.
De rechtbank oordeelde dat het buiten behandeling stellen van de aanvraag terecht was omdat de noodzakelijke medische stukken ontbraken en eiser zelf het moment van indiening kon bepalen. De rechtbank hechtte ook waarde aan de verklaring van eiser dat hij op dat moment niet onder behandeling stond. Ten aanzien van artikel 8 EVRM Pro stelde de rechtbank vast dat de staatssecretaris niet had gemotiveerd waarom hij geen ambtshalve toetsing aan dit artikel had verricht, terwijl dit wel vereist is. De motivering van de staatssecretaris was onvoldoende en het besluit op dit punt niet deugdelijk.
De rechtbank gaf de staatssecretaris de gelegenheid om binnen zes weken het gebrek te herstellen met een aanvullende motivering of een nieuwe beslissing op bezwaar. Eiser krijgt vervolgens vier weken om hierop te reageren. Tot de einduitspraak worden verdere beslissingen aangehouden, waaronder over proceskosten. De uitspraak is een tussenuitspraak en hoger beroep is nog niet mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het buiten behandeling stellen terecht was, maar geeft de staatssecretaris gelegenheid het gebrek in de motivering omtrent artikel 8 EVRM te herstellen.