ECLI:NL:RBDHA:2023:4294
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende economische en sociale binding en tijdige terugkeer
Eiseres, een Iraakse vrouw geboren in 1947, diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf om haar zoon in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het verblijf niet voldoende had aangetoond, onvoldoende middelen van bestaan kon aantonen en onvoldoende aannemelijk maakte dat zij tijdig zou terugkeren naar Irak.
Eiseres voerde in beroep aan dat zij wel degelijk een sociale en economische binding met Irak heeft, onder meer doordat haar echtgenoot en een groot deel van haar familie daar wonen, en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat de minister drie zelfstandige gronden had voor afwijzing, waarvan twee (doel en omstandigheden verblijf, en middelen van bestaan) niet door eiseres waren bestreden en daarom zelfstandig de afwijzing konden dragen.
Daarnaast concludeerde de rechtbank dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij over een substantieel of regelmatig inkomen beschikt en dat haar sociale binding met Irak niet sterk genoeg is om tijdige terugkeer te waarborgen. De rechtbank stelde ook vast dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het horen in bezwaar niet noodzakelijk was gezien de aard van de bezwaren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.