ECLI:NL:RBDHA:2023:4414

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2023
Publicatiedatum
31 maart 2023
Zaaknummer
NL23.3958
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij vertrek asielzoeker naar andere lidstaat

Eiser, van Tunesische nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Verweerder weigerde de aanvraag in behandeling te nemen op grond van de Dublinverordening, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland deed een verzoek tot terugname bij Italië, dat dit verzoek aanvaardde.

Tijdens de behandeling van het beroep bleek dat eiser op 6 februari 2023 zelfstandig zijn woonruimte had verlaten en met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde had geen recent contact meer met eiser en wist niet waar hij verbleef. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt in zo’n situatie aangenomen dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland.

De rechtbank concludeerde dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.3958
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 28 maart 2023 op zitting behandeld. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit en te zijn geboren op [geboortedatum] 1986.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
3. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. In zijn bericht van 27 maart 2023 heeft verweerder gesteld dat eiser blijkens een melding van de vreemdelingenpolitie dat eiser op 6 februari 2023 zelfstandig de woonruimte heeft verlate en daarmee met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde heeft de rechtbank op 27 maart 2023 via een bericht in het digitale dossier
laten weten dat hij geen contact meer heeft met eiser. Hij verzoekt de rechtbank om de zaak op de stukken te beoordelen.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) blijkt dat, als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit gegaan moet worden dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.1
5. Onder de omstandigheden als genoemd onder 3. is de rechtbank van oordeel dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland en dus geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat uit telefonisch contact met de gemachtigde is gebleken dat de gemachtigde een paar weken geleden voor het laatst contact met eiser heeft gehad en dat hij niet weet waar eiser momenteel verblijft.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier.
1 Zie de uitspraak van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579).
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 maart 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.