6.3Het oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van anderhalve maand twee keer schuldig gemaakt aan een straatroof en aan het pinnen met gestolen pinpassen. Beide straatroven heeft de verdachte gepleegd met anderen, waarbij vooraf een plan is gemaakt. Bij beide straatroven is geweld gebruikt door de verdachte. De verdachte heeft bij het plegen van de feiten niet nagedacht over het effect van zijn daden voor de slachtoffers en heeft enkel gedacht aan geldelijk gewin. Dit soort feiten zijn voor de betrokkenen zeer schokkend en angstaanjagend. Het is algemeen bekend dat dit soort feiten vaak nadelige psychische gevolgen voor de slachtoffers hebben. Dergelijke feiten dragen daarnaast bij aan gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.
De rechtbank zal bij de strafoplegging de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd in aanmerking nemen. Het betreft in de onderhavige zaak de oriëntatiepunten voor diefstal met geweld/afpersing en diefstal. Daarbij kunnen strafverzwarende omstandigheden aanleiding geven om de strafmaat naar boven te wijzigen. In het onderhavige geval ziet de rechtbank strafverzwarende omstandigheden in de ernst van de feiten en het georganiseerde karakter van de groep. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachten bij beide straatroven planmatig te werk zijn gegaan.
Tussenconclusie
De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf rechtvaardigen. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende over de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden laten meewegen.
Strafblad
In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij blijkens zijn strafblad van 13 maart 2023 eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten. De verdachte liep in twee proeftijden ten tijde van de huidige feiten en heeft de feiten 2 en 3 een week na een veroordeling gepleegd, en feit 1 nog geen twee weken later.
Persoon van de verdachte
Pro Justitia rapportage
De rechtbank heeft bij de weging van de persoonlijke omstandigheden verder het Pro Justitia rapport van 14 november 2022, gezamenlijk opgesteld door GZ-psycholoog [naam 3] en kinder- en jeugdpsychiater drs. [naam 4] , betrokken. Uit dat rapport blijkt dat bij de verdachte sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis, met beperkte prosociale emoties, beperkt ontwikkelde regulerende functies en een verhoogde spanningsbehoefte. De persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte is bedreigd en zal zonder interventies ontwikkelen richting een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is bij de verdachte sprake van een matig tot ernstige stoornis in cannabisgebruik en functioneert hij op zwakbegaafd niveau. De psychopathologie van de verdachte kent een vroege aanvang en het daarmee samenhangende gedragspatroon is duurzaam van aard. Hoewel de stoornissen aanwezig waren ten tijde van de incidenten is niet aannemelijk dat de factoren uit de leefomstandigheden en de pathologie van de verdachte hebben geleid tot een verminderde keuzevrijheid. De feiten kunnen de verdachte daarom volledig worden toegerekend.
Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat. Er zijn nauwelijks beschermende factoren aanwezig om het recidive risico te verminderen. Behandeling is noodzakelijk om de antisociale ontwikkeling van de verdachte te keren en een zo gunstig mogelijke ontwikkeling te stimuleren. Behandeling gericht op de sociaal-emotionele en persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte kan daarbij ook het risico op toekomstig gewelddadig dan wel ander antisociaal gedrag verminderen. De psychopathologie van de verdachte is complex en vereist langdurige behandeling. Adequate behandeling zal leiden tot frustraties en mogelijk acting-out, met verbale en fysieke agressie. Om die reden is een maximaal beveiligingsniveau nodig om dergelijk gedrag te kunnen beheersen en behandelen. De deskundigen concluderen dat de noodzakelijke behandeling niet anders kan worden vormgegeven dan binnen het kader van een onvoorwaardelijk PIJ-maatregel.
Rapport van de Raad voor de Kinderbescherming
De rechtbank heeft bij haar oordeel ook de bevindingen uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) ten behoeve van de zitting van 16 maart 2023 betrokken. In het rapport wordt aansluiting gezocht bij de conclusies van de voornoemde deskundigen. Ook uit het rapport van de Raad blijkt dat er veel zorgen zijn op alle leefgebieden van de verdachte. De zorgen gaan vooral over zijn geestelijke gezondheid, zijn beperkt cognitief functioneren, agressieproblematiek, zelfbepalend gedrag, middelengebruik en omgang met antisociale jongeren. De Raad is van mening dat de kans op herhaling verhoogd aanwezig is en dat de verdachte en zijn omgeving beschermd moeten worden vanwege de impulsiviteit van de verdachte, zijn behoefte aan spanning, beperkte zelfinzicht en beïnvloedbaarheid waarbij hij de grenzen van zichzelf en anderen overschrijdt. Gelet op de ernstige problemen ten aanzien van het gedrag en de ontwikkeling van de verdachte, de gecompliceerdheid van zijn problematiek, de hoge kans op herhaling en het gebrek aan een reëel alternatief, adviseert de Raad om een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Langdurige residentiële behandeling is nodig om het gedrag van de verdachte positief te beïnvloeden. Alleen op deze manier kan gestart worden met het doorbreken van ingesleten gedragspatronen en het terugdringen van de gedrags- en ontwikkelingsproblemen. Met begeleiding kan de verdachte werken aan een toekomstperspectief.
Ter terechtzitting heeft de deskundige, R. Ghogli, namens Stichting Jeugdbescherming west, zich aangesloten bij het Pro Justitia advies en het advies van de Raad.
Toerekeningsvatbaar
De rechtbank volgt de conclusies van de deskundigen voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid en acht de verdachte daarom volledig toerekeningsvatbaar.
PIJ-maatregel
Om een PIJ-maatregel op te kunnen leggen, moet zijn voldaan aan de verschillende voorwaarden die in artikel 77s Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) worden genoemd. Ten eerste moet de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of stoornis hebben. Ten tweede moet het feit waarvoor de maatregel wordt opgelegd een misdrijf zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld of het feit moet behoren tot één van de in dat artikel omschreven misdrijven. Ten derde moet de PIJ-maatregel noodzakelijk zijn voor de veiligheid van andere personen of goederen. Als laatste moet de PIJ-maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte zijn.
De rechtbank stelt vast dat, gelet op de misdrijven waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt en de conclusies van de gedragskundige rapportages over de verdachte, aan deze wettelijke vereisten voor oplegging van een PIJ-maatregel is voldaan.
De rechtbank is van oordeel dat voormelde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van het onderzoek met betrekking tot het opleggen van de PIJ-maatregel worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank volgt de conclusies van de deskundigen en legt deze ten grondslag aan haar beslissing dat aan de verdachte een PIJ-maatregel moet worden opgelegd. Daarbij overweegt zij het volgende.
Door de deskundigen is vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een normoverschrijdend-gedragsstoornis, een cannabis stoornis, een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en dat hij functioneert op zwakbegaafd niveau. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan misdrijven waarop gevangenisstraffen van vier jaren of meer zijn gesteld.
Er is voorts sprake van een hoge kans dat de verdachte zonder behandeling in een gesloten en gestructureerde setting, opnieuw strafbare feiten zal plegen en gewelddadig gedrag zal vertonen. De verdachte heeft in een relatief korte tijd een aantal strafbare feiten gepleegd, waarbij hij planmatig en gestructureerd te werk is gegaan. De verdachte heeft bij het plegen van de feiten geen rekening gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers. Hij heeft daarbij evenmin enige boodschap gehad aan de veroordeling die een week ervoor was uitgesproken en waarbij hem een proeftijd was opgelegd.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de verdachte gebaat is bij een langdurige behandeling op een plek met een hoog beveiligingsniveau. De verdachte heeft veel in zijn leven meegemaakt, en zijn psychopathologie en daarmee samenhangende gedragspatroon zijn volgens de deskundigen vroeg begonnen. Langdurige behandeling is nodig om de antisociale gedragsontwikkeling van de verdachte naar het positieve te keren. Gelet op de persoon en de problematiek van de verdachte, het hoge recidiverisico, de ernst en aard van de feiten, de adviezen van de deskundigen en het gebrek aan een reëel alternatief, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan de verdachte een onvoorwaardelijk PIJ-maatregel op te leggen.
De maatregel geldt voor een termijn van drie jaren. Na twee jaar eindigt de maatregel van rechtswege voorwaardelijk, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze zoals bedoeld in artikel 77t van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank stelt vast dat de maatregel opgelegd is ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. Daarom kan de maatregel verlengd worden, telkens met ten hoogste van twee jaren en tot een maximum van zeven jaren.
Jeugddetentie
Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten vindt de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van vier maanden passend en geboden. Bij het bepalen van de hoogte hiervan heeft de rechtbank in grote mate rekening gehouden met het belang van de verdachte om zo spoedig mogelijk te starten met behandeling gedurende de PIJ-maatregel en de intensiteit en de duur van het te doorlopen traject. De rechtbank is zich ervan bewust dat in dit geval het voorarrest van de verdachte de op te leggen vrijheidsbenemende straf overstijgt. Bij het bepalen van de strafmodaliteit en de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van de verdachte en de straffen die gewoonlijk voor de bewezenverklaarde feiten worden opgelegd. De duur van de voorlopige hechtenis speelt daarbij in beginsel geen zwaarwegende rol. Dat is in dit geval niet anders.