ECLI:NL:RBDHA:2023:4642
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Syrische nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de aanvraag. Nederland had op 30 november 2022 een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat dit accepteerde.
Eiser voerde aan dat hij niet wist dat zijn vingerafdrukken in Duitsland bedoeld waren voor een asielaanvraag, dat hij zich niet kon verweren tegen het afnemen ervan vanwege ziekenhuisopname, en dat overdracht naar Duitsland tot indirect refoulement kan leiden. Ook stelde hij dat hij vanwege zijn lichamelijke beperkingen afhankelijk is van zijn zus in Nederland, wat een bijzondere omstandigheid vormt.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Er was geen gegronde vrees voor indirect refoulement en de medische problematiek van eiser was niet voldoende onderbouwd. Ook was er geen afhankelijkheidsrelatie met zijn zus aangetoond zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank concludeerde dat de omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat van overdracht aan Duitsland kan worden afgezien wegens onevenredige hardheid. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.