De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot teruggeleiding van zijn minderjarige kind naar Frankrijk op grond van het Haagse Verdrag internationale kinderontvoering. De vader stelde dat de moeder het kind ongeoorloofd in Nederland achterhield zonder zijn toestemming, terwijl zij gezamenlijk gezag uitoefenen en het kind zijn gewone verblijfplaats in Frankrijk had.
De rechtbank oordeelde dat in augustus 2022 sprake was van ongeoorloofde achterhouding door de moeder, maar dat deze achterhouding werd beëindigd door nakoming van een in mediation overeengekomen co-ouderschapsregeling waarbij het kind twee weken bij de moeder in Nederland en twee weken bij de vader in Frankrijk verbleef. Deze regeling leidde niet tot wijziging van de gewone verblijfplaats van het kind, die bleef Frankrijk.
In januari 2023 hield de moeder het kind opnieuw ongeoorloofd achter door de zorgregeling niet na te komen, maar ook deze achterhouding eindigde met de hervatting van de zorgregeling eind februari 2023. De rechtbank concludeerde dat er op het moment van de uitspraak geen sprake meer was van ongeoorloofde achterhouding en dat de vader daardoor geen belang meer had bij teruggeleiding. Het subsidiaire verzoek tot vaststelling van een voorlopige internationale zorgregeling werd eveneens afgewezen omdat dit in een bodemprocedure dient te worden behandeld.
De proceskosten werden gecompenseerd en iedere partij draagt haar eigen kosten. De beschikking werd uitgesproken door drie kinderrechters op 27 maart 2023 en staat open voor hoger beroep binnen twee weken.