ECLI:NL:RBDHA:2023:4704
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen in Eritrese leger
Eiser, met de Eritrese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn zoon in Nederland. Verweerder wees deze aanvraag af en verklaarde eiser ongewenst vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij ernstige mensenrechtenschendingen als leidinggevende in het Eritrese leger van 1992 tot 2019.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag heeft toegepast, omdat eiser 'knowing and personal participation' had in misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder marteling, willekeurige gevangenneming en gedwongen arbeid. Eiser bekleedde diverse leidinggevende functies en was verantwoordelijk voor het doorgeven van namen van dienstplichtigen die werden bestraft, gevangen gezet en heropgevoed onder mensonterende omstandigheden.
Verweerder heeft volgens de rechtbank zorgvuldig onderzoek gedaan en eiser tweemaal gehoord, waarbij ook discrepanties in zijn verklaringen zijn vastgesteld. De rechtbank vindt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro terecht in het nadeel van eiser is uitgevallen, mede gezien de ernst en het langdurige karakter van de bedreiging voor de openbare orde. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de mvv-aanvraag en de ongewenstverklaring wegens betrokkenheid bij ernstige mensenrechtenschendingen.