ECLI:NL:RBDHA:2023:473
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 11 juni 2022 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname aan Bulgarije gedaan, dat op 29 juli 2022 werd aanvaard.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan gelden vanwege zijn eerdere detentie, mishandeling, discriminatie en pushbacks in Bulgarije. Tevens stelde hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn afhankelijkheidsrelatie met een neef die wel in de Nederlandse procedure was opgenomen.
De rechtbank oordeelde dat Bulgarije in beginsel verantwoordelijk is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Eiser slaagde er niet in concrete aanwijzingen te geven dat hij als Dublinterugkeerder een reëel risico loopt op pushbacks. Ook de bezwaren tegen Bulgarije’s toetreding tot de Schengenzone en het persoonlijke relaas van eiser boden onvoldoende grond om het vertrouwensbeginsel te doorbreken.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens gebrek aan vergelijkbare gegevens over de neef. Artikel 8 EVRM Pro was niet van toepassing omdat de aanvraag niet in behandeling was genomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de niet-behandeling van zijn asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid van Bulgarije wordt ongegrond verklaard.