ECLI:NL:RBDHA:2023:4839

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2023
Publicatiedatum
6 april 2023
Zaaknummer
NL23.450
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag mvv met herstelverzuim en DNA-onderzoek

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft een verweerschrift ingediend waarin hij om een beslistermijn van zestien weken verzoekt vanwege een herstelverzuim en mogelijk nader DNA-onderzoek.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en dat daardoor een dwangsom is verbeurd. Omdat verweerder de dwangsom niet zelf heeft vastgesteld, doet de rechtbank dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb en bepaalt het maximale bedrag van €1.442,-.

De rechtbank acht de gevraagde termijn van zestien weken redelijk vanwege de bijzondere omstandigheden, waaronder het mogelijke DNA-onderzoek, en stelt deze termijn vast als uiterste beslisdatum. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €250,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €37.500,-.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. De zaak wordt als licht van gewicht beschouwd omdat het enkel gaat om de overschrijding van de beslistermijn en de verbeurde dwangsom.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder krijgt een nieuwe beslistermijn van zestien weken met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.450
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: C. van der Meijs).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden. [1]

Overwegingen

1. Partijen zijn het erover eens dat het beroep gegrond is. De rechtbank gaat daarvan uit. De rechtbank moet zich uitlaten over de gevraagde dwangsommen en een nadere beslistermijn bepalen.
2. Als een beschikking niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. [2] Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was. [3]
3. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog. Eiser heeft verweerder op
19 december 2022 in gebreke gesteld. Dit betekent dat verweerder, gelet op artikel 4:17 van Pro de Awb, tot uiterlijk 2 januari 2023 een besluit kon nemen, zonder een dwangsom te verbeuren. Omdat vanaf 3 januari 2023 meer dan 42 dagen als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb zijn verstreken, bedraagt de door verweerder verschuldigde dwangsom het maximale bedrag van € 1.442,-.
4. Verweerder heeft in zijn verweerschrift verzocht om een beslistermijn van zestien weken. Hij is voornemens om eiser een herstelverzuim te bieden om ontbrekende informatie op te sturen. Afhankelijk van de reactie op het herstelverzuim, zal worden bepaald of nader onderzoek in de vorm van een DNA-onderzoek noodzakelijk is voor het nemen van een besluit.
5. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat verweerder extra tijd krijgt voor het nemen van een besluit op de aanvraag. Hoewel verweerder eiseres eerder een herstelverzuim termijn kon bieden, vergt een (mogelijk) DNA-onderzoek tijd. De rechtbank acht daarom een termijn van zestien weken na het verweerschrift redelijk. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 9 mei 2023 alsnog een besluit moet nemen. Met deze termijn wordt zowel recht gedaan aan het belang van verweerder om een zorgvuldige beslissing te nemen, als aan het belang van eiser om op korte termijn een beslissing te krijgen op zijn aanvraag.
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 250,- is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van
€ 37.500,-. De rechtbank kiest voor een hogere dwangsom dan gebruikelijk, omdat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij niet eerder een herstelverzuim termijn heeft geboden en/of een DNA-onderzoek is gestart.
7. Nu het beroep gegrond is, volgt uit artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of een dwangsom is verbeurd.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvraag een
dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 1.442,-;
- draagt verweerder op uiterlijk op
9 mei 2023een besluit op de aanvraag te nemen;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van
E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 4:17 van Pro de Awb
3.Artikel 4:18, eerste lid, van de Awb