ECLI:NL:RBDHA:2023:485

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 januari 2023
Publicatiedatum
20 januari 2023
Zaaknummer
AWB 20/4550
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht in visumzaak

Eiser heeft een aanvraag voor een visum voor kort verblijf ingediend die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Tegen dit primaire besluit maakte eiser bezwaar, dat niet-ontvankelijk werd verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank wees eiser op de verplichting tot betaling van griffierecht van €178 en gaf hem de mogelijkheid om binnen vier weken te betalen of een onderbouwd beroep op betalingsonmacht in te dienen. Eiser deed een beroep op betalingsonmacht, maar leverde geen bewijsstukken aan ondanks meerdere verzoeken en uitstel.

Omdat het griffierecht niet werd betaald en geen onderbouwing van betalingsonmacht werd geleverd, verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.F. Bethlehem en griffier R. de Mul op 12 januari 2023.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en het ontbreken van onderbouwing van betalingsonmacht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/4550

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Kana).

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. In het besluit van 7 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Op 4 juni 2020 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt van de indiener van een beroepschrift griffierecht geheven. Voor eiser is het griffierecht vastgesteld op € 178.
2. Bij brief van 11 juni 2020 is eiser in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen vier weken te betalen, dan wel binnen die termijn een onderbouwd beroep op betalingsonmacht te doen. Daarbij is hij tevens gewezen op de mogelijkheid dat zijn beroep anders niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
3. Eiser heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht. De griffier heeft bij brief van 16 juni 2020 eiser in de gelegenheid gesteld binnen twee weken gegevens aan te leveren ter onderbouwing van het beroep op betalingsonmacht. Eiser heeft bij brief van 30 juni 2020 verzocht om twee weken uitstel voor het aanleveren van de gegevens. Dit is toegestaan.
4. Eiser heeft binnen de gestelde termijn geen gegevens aangeleverd ter onderbouwing van het beroep op betalingsonmacht. Evenmin heeft de rechtbank gegevens ontvangen binnen de door eiser bij brief van 30 juni 2020 aangegeven termijn.
5. De rechtbank stelt vast dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat er ook geen gegevens ter onderbouwing van het beroep op betalingsonmacht zijn aangeleverd.
6. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
7. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, op 12 januari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.