ECLI:NL:RBDHA:2023:4924
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning voor verblijf bij vader op grond van artikel 8 EVRM
Eiser, een minderjarige met de Colombiaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning om bij zijn vader in Nederland te verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en verweerder oordeelde dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro niet in het voordeel van eiser uitviel.
De rechtbank stelde vast dat er een familierechtelijke relatie en beschermenswaardig gezinsleven bestond, maar dat verweerder de belangenafweging zorgvuldig had gemaakt. Eiser had onvoldoende onderbouwd dat het gezinsleven in Colombia niet op afstand kon worden voortgezet of dat de vader en zijn gezin niet naar Colombia konden terugkeren. Ook was onvoldoende aangetoond dat de moeder en grootmoeder niet meer voor eiser konden zorgen.
Verder bleek dat eiser en zijn vader niet samenwoonden, en dat het gezinsleven op afstand via videobellen al werd ingevuld. De rechtbank oordeelde dat het privéleven dat eiser in Nederland heeft opgebouwd niet zwaarder weegt dan het belang van de Nederlandse overheid bij een restrictief toelatingsbeleid. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.