ECLI:NL:RBDHA:2023:4941
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning startende ondernemer wegens onvoldoende onderbouwing aanvraag
Eiser, een Ugandees met een eerdere verblijfsvergunning voor werkzoekenden, vroeg om wijziging van zijn verblijfsvergunning naar de beperking 'arbeid als zelfstandige' om een toerismebedrijf te starten. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet de vereiste bewijsstukken had overlegd en de aanvraag niet aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat had kunnen worden voorgelegd voor verplicht advies.
Eiser voerde in beroep aan dat hij meer tijd had moeten krijgen om een geschikte begeleider (facilitator) te vinden, wat volgens beleid vereist is. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had onderbouwd waarom hij niet in de periode van zijn rechtmatig verblijf tot 6 december 2022 de begeleider had kunnen vinden.
De rechtbank stelde vast dat het niet kunnen vinden van een begeleider voor rekening en risico van eiser komt en dat verweerder de afwijzing op goede gronden heeft gehandhaafd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning als startende ondernemer is ongegrond verklaard.