ECLI:NL:RBDHA:2023:5107

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2023
Publicatiedatum
12 april 2023
Zaaknummer
NL23.4468
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 februari 2023 waarin zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 30 maart 2023, waarbij noch eiser noch zijn gemachtigde, noch verweerder aanwezig waren.

Uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer een vreemdeling die bescherming heeft gevraagd in Nederland zonder mededeling van verblijfplaats vertrekt, wordt aangenomen dat hij geen prijs meer stelt op bescherming. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer met eiser te hebben, en verweerder meldde dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

Daarom heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het beroep, en verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gedaan en kan binnen een week worden bestreden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.4468
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.L.J. Henket-Reijnen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

ProcesverloopBij besluit van 13 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder is, met bericht vooraf, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

Verweerder heeft de rechtbank bij bericht van 20 maart 2023 meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Daartoe verwijst verweerder naar een schriftelijke melding van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) waaruit dit blijkt.
Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser op 24 maart 2023 aan de rechtbank meegedeeld dat hij geen contact meer heeft met eiser.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] blijkt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Deze situatie doet zich, gelet op het hiervoor weergegeven bericht van de gemachtigde van eiser, niet voor. Daarom heeft hij geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2023 door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 en de uitspraak van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2915.