ECLI:NL:RBDHA:2023:5136

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2023
Publicatiedatum
12 april 2023
Zaaknummer
AWB - 21 _ 7833
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Wet WIAArt. 61 Wet WIAArt. 77 Wet WIAArt. 3:1 Algemeen bestuursrechtArt. 3:2 Algemeen bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering WIA-uitkering wegens te hoge uitkering door neveninkomsten

Eiser diende op 15 augustus 2019 een aanvraag in voor een WIA-uitkering, die vanaf 28 november 2019 werd toegekend. Verweerder stelde vast dat eiser in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 april 2021 te veel uitkering ontving vanwege neveninkomsten uit werk en vorderde aanvankelijk €8.551,33 bruto terug.

Na bezwaar verlaagde verweerder het terugvorderingsbedrag tot €4.737,32 bruto en beperkte de terugvordering tot de periode 1 december 2019 tot en met 21 mei 2020. Eiser voerde aan dat het hem niet duidelijk was dat hij teveel ontving, omdat hij in de maanden december 2019 en januari 2020 salaris doorbetaald kreeg door zijn werkgever en in maart en april 2020 een aanvulling op zijn uitkering ontving.

De rechtbank oordeelde dat eiser redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de neveninkomsten van invloed waren op zijn recht op uitkering en dat hij deze had moeten melden. Het verweer dat eiser vanwege beperkte verstandelijke vermogens niet op de hoogte was, werd niet gevolgd wegens gebrek aan onderbouwing. De berekening van verweerder werd als juist beoordeeld, waarbij ook de reservering van vakantiegeld werd meegenomen.

De terugvordering werd gegrond verklaard en het beroep ongegrond. Er werden geen dringende redenen gevonden om van terugvordering af te zien. De rechtbank wees een proceskostenveroordeling af en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de terugvordering van €4.737,32 bruto wegens te hoge WIA-uitkering en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/7833

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2023 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.G.A.M. van den Heuvel)
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder
(gemachtigde: mr. L.J.G.G. Reijnen).

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder van eiser een bedrag van € 8.551,33 bruto teruggevorderd.
Bij besluit van 25 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het door eiser aan verweerder terug te betalen bedrag verlaagd naar € 4.737,32 bruto.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2023. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 15 augustus 2019 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 6 februari 2020 heeft verweerder aan eiser een voorschot op zijn WIA-uitkering toegekend met ingang van 28 november 2019. Bij besluit van 15 april 2020 is aan eiser een WIA-uitkering toegekend vanaf 28 november 2019.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder – voor zover hier van belang - vastgesteld dat het toegekende bedrag over de periode van 1 december 2019 tot en met 30 april 2021 hoger was dan de WIA-uitkering waarop eiser recht had. Daarom heeft verweerder van eiser € 8.551,33 bruto teruggevorderd.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de periode waarover wordt teruggevorderd teruggebracht naar 1 december 2019 tot en met 21 mei 2020 en het terug te vorderen bedrag verlaagd naar € 4.737,32 bruto. Aan de terugvordering heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser in deze periode naast zijn uitkering ook inkomsten uit werk ontving en dat het hem redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat die inkomsten van invloed waren op zijn recht op een uitkering.
4. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte tot terugvordering is overgegaan. Hij bestrijdt dat het hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij van 1 december 2019 tot en met 21 mei 2020 teveel WIA-uitkering ontving. Eiser voert aan dat verweerder pas bij besluit van 6 februari 2020 een voorschot op zijn uitkering heeft toegekend en bij besluit van 15 april 2020 definitief een WIA-uitkering heeft toegekend. In de maanden december 2019 en januari 2020 heeft zijn werkgever zijn salaris doorbetaald, omdat eiser in die maanden anders geen inkomsten had. In de maanden maart en april 2020 heeft zijn werkgever het uitkeringsbedrag dat eiser ontving aangevuld tot het bedrag dat hij voorheen als salaris ontving. Daarnaast heeft zijn werkgever in mei 2020 salaris betaald vanwege de ziekmelding van eiser vanaf 22 mei 2020 en de samenloop daarvan met de WIA-uitkering. Deze betalingen waren volgens eiser noodzakelijk omdat verweerder te lang heeft gewacht met het inwilligen van zijn aanvraag om een WIA-uitkering en hij in de tussenliggende maanden anders niet kon voorzien in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan. Verder betoogt eiser dat de terugvordering over de eerste vier maanden van 2021 ten onrechte is gebruteerd. Tot slot stelt eiser dat, indien verweerder terecht tot terugvordering is overgegaan, uit een door hem gemaakte berekening met behulp van de rekenhulp op de website van verweerder volgt dat het terug te vorderen bedrag € 1.963,03 bedraagt.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1
Eiser heeft zijn beroepsgrond tegen de brutering van het terugvorderingsbedrag over de eerste vier maanden van 2021 ter zitting ingetrokken. Een inhoudelijke beoordeling van die beroepsgrond blijft daarom achterwege.
5.2
In artikel 27 van Pro de Wet WIA is de informatieplicht voor verzekerden vastgelegd. Deze verplichting houdt onder meer in dat degene die een WIA-uitkering ontvangt, uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering, aan verweerder verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat het eiser, gelet op de hoogte van de door hem ontvangen bedragen, redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij van 1 december 2019 tot en met 21 mei 2020 teveel WIA-uitkering ontving. Eiser ontving in december 2019 en in de maanden januari en mei immers zijn volledige salaris naast zijn uitkering. In de maanden maart en april ontving hij respectievelijk € 705,99 en € 689,76. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het op de weg van eiser had gelegen om bij verweerder te melden dat zijn werkgever hem in deze maanden doorbetaalde. Dat geldt ook voor de periode van 1 december 2019 tot 6 februari 2020, het moment waarop verweerder aan eiser een voorschot op zijn uitkering toekende. Verweerder had in dat geval immers bij het toekennen van het voorschot en bij het bepalen van de hoogte hiervan rekening kunnen houden met de door eiser ontvangen betalingen. Dat eiser, zoals hij stelt, met zijn werkgever was overeengekomen dat hij de salarisbetalingen zou terugstorten zodra zijn uitkering zou zijn betaald, leidt niet tot een ander oordeel. Als eiser had gewild dat verweerder met die omstandigheid rekening had gehouden in het bestreden besluit, dan had hij verweerder hierover tijdig moeten informeren.
5.3.
Ter zitting heeft eiser betoogd dat het hem als gevolg van zijn beperkte verstandelijke vermogens niet duidelijk was dat de doorbetaling van zijn salaris van invloed kon zijn op zijn recht op uitkering. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog, reeds omdat het niet is onderbouwd.
5.4
Eiser heeft ter zitting een berekening overgelegd van het volgens hem terug te vorderen bedrag. Volgens eiser heeft verweerder € 1688,75 teveel van hem teruggevorderd. De rechtbank volgt eiser niet in deze berekening. In artikel 61 van Pro de Wet WIA is bepaald hoe de hoogte van de WGA-uitkering per kalendermaand wordt vastgesteld. Daarbij is de hoogte van het inkomen per kalendermaand van belang. Tot dat inkomen wordt ook de reservering van vakantiegeld gerekend. [1] In het bestreden besluit heeft verweerder inzichtelijk gemaakt hoe aan de hand van de berekening zoals voorgeschreven in artikel 61, eerste lid, van de Wet WIA, tot de vastgestelde hoogte van de uitkering van eiser is gekomen. De door verweerder in deze berekening gehanteerde bedragen zijn door eiser niet gemotiveerd betwist. In de door eiser gemaakte berekening ziet de rechtbank geen aanleiding om de juistheid van de berekening die verweerder heeft gemaakt in twijfel te trekken. Het verschil in deze beide berekeningen is terug te voeren op de omstandigheid dat in de berekening van eiser de reservering van vakantiegeld niet bij het gehanteerde SV-loon is opgeteld, terwijl verweerder dat – terecht – wel heeft gedaan.
5.5
Op grond van artikel 77 van Pro de Wet WIA is verweerder in beginsel gehouden een onverschuldigd betaalde uitkering op grond van die wet of een anderszins onverschuldigd betaald bedrag terug te vorderen. Op deze verplichting is een uitzondering mogelijk als er dringende redenen aanwezig zijn om van terugvordering af te zien. Van dergelijke dringende redenen is niet gebleken.
5.6
Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht een bedrag van € 4.737,32 bruto van eiser teruggevorderd.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Zie artikel 61, achtste lid, van de Wet WIA in samenhang met de artikelen 3:1, 3:2 en 4:1 van het Algemeen Inkomensbesluit Socialezekerheidswetten, artikel 16 van Pro de Wet financiering socialezekerheidswetten en artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.