ECLI:NL:RBDHA:2023:5195

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 maart 2023
Publicatiedatum
13 april 2023
Zaaknummer
NL23.5868
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening visum kort verblijf wegens ontbreken zwaarwegend spoedeisend belang

Verzoeker, een Marokkaanse jongeman, heeft samen met zijn moeder een visum kort verblijf aangevraagd voor familiebezoek en toerisme in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken heeft het visum voor verzoeker geweigerd wegens onvoldoende aantoonbaar doel en twijfel over zijn terugkeerintentie. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd om toch naar Nederland te mogen reizen.

De voorzieningenrechter behandelt het verzoek en overweegt dat het toewijzen van een voorlopige voorziening feitelijk een definitieve situatie creëert die onomkeerbaar is, terwijl het bezwaar nog niet is beslist. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden, zoals een zwaarwegend spoedeisend belang of sterke twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit, kan dit gerechtvaardigd zijn.

Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd dat zijn belang zwaarwegend en spoedeisend is; het familiebezoek kan ook later plaatsvinden en de begeleiding van zijn moeder is niet exclusief aan hem toebedeeld. Ook bestaat geen sterke twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit, mede gelet op zijn eerdere illegale verblijf in Nederland en het ontbreken van aantoonbare maatschappelijke binding met Marokko.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van het visum kort verblijf wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een zwaarwegend spoedeisend belang en geen sterke twijfel over de rechtmatigheid van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.5868

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. V. Karapetjan),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: I. Aynan).

Procesverloop

In het besluit van 14 februari 2023 heeft verweerder de aanvraag om afgifte van een visum kort verblijf aan verzoeker geweigerd.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die er op neerkomt dat verzoeker samen met zijn moeder naar Nederland kan afreizen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 maart 2023 op zitting behandeld. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Sarkisian, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich met behulp van een beeldverbinding laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft tegelijk met zijn moeder een visum kort verblijf aangevraagd voor familiebezoek en toerisme in Nederland.
2. Verweerder heeft de afgifte van een visum aan verzoeker geweigerd, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van verzoeker om Nederland vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum te verlaten.
3. Verzoeker is het daar niet mee eens. Verweerder heeft in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat hij bij de aanvraag duidelijk het doel van zijn verblijf heeft uiteengezet en dat hij ook zijn moeder tijdens haar reis naar Nederland wil begeleiden in verband met haar gezondheid. Verweerder heeft aan zijn moeder wel een visum kort verblijf verstrekt. Verder voert verzoeker aan dat hij wel degelijk een voldoende economische binding heeft met Marokko. Hij werkt als zelfstandige en heeft een eigen winkel waarmee hij in zijn eigen levensonderhoud voorziet. Verzoeker heeft geen enkele intentie om zich in Nederland te vestigen.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
4.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat de verzochte voorziening feitelijk een voorlopig karakter mist. Uit het systeem van de wet- en regelgeving volgt dat een vreemdeling in zijn land van herkomst een visum dient aan te vragen, voordat hij de Europese Unie (waaronder Nederland) kan inreizen. Als deze voorlopige voorziening wordt toegewezen zal verzoeker Nederland in kunnen reizen zodat de feitelijke situatie ontstaat die verzoeker met zijn aanvraag heeft beoogd, terwijl verweerder nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van de voorlopige voorziening zijn dan ook onomkeerbaar.
4.2.
Daarom kan alleen in zeer bijzondere omstandigheden aanleiding bestaan om te bepalen dat verweerder een aanvrager gedurende de bezwaarprocedure dient te beschouwen als ware hij in het bezit van een visum. Dit is aan de orde in het geval de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek in verhouding tot het belang van verweerder bij de handhaving van die afwijzing zó onevenredig zijn, dat het besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht. Zo’n vergaande beslissing is alleen gerechtvaardigd als een zwaarwegend spoedeisend belang daarom vraagt of er sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker onvoldoende gemotiveerd dat zijn verzoek een zwaarwegend spoedeisend belang heeft. Verzoeker wenst naar Nederland te komen in het kader van een familiebezoek en wenst zijn moeder op haar reis naar Nederland te begeleiden. Dit belang acht de voorzieningenrechter niet zwaarwegend en spoedeisend. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker alleen binnen afzienbare tijd en niet op een later moment het familiebezoek kan afleggen. Daarnaast is niet uit de stukken gebleken dat zijn moeder begeleid moet worden en dat alleen verzoeker die begeleiding kan bieden. Verzoeker heeft niet onderbouwd waarom andere familieleden of de vliegtuigmaatschappij die begeleiding niet kunnen bieden. Op de zitting heeft verzoeker aangegeven dat zijn moeder terug naar Marokko wordt begeleid door zijn zus.
6. Verder komt de voorzieningenrechter ook niet tot de conclusie dat sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het besluit. Naar het voorlopig oordeel heeft verweerder zich in het besluit op het standpunt kunnen stellen dat het doel en de omstandigheden van de reis niet duidelijk zijn en er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van verzoeker om Nederland vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum te verlaten. Verzoeker is een jonge alleenstaande man. Niet is gebleken van brede maatschappelijke verplichtingen om terug te keren naar Marokko. Verzoeker stelt in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien met zijn winkel, maar uit de overgelegde bankafschriften is niet te herleiden dat hij regelmatige inkomsten geniet. Daarnaast heeft verzoeker in 2015 een visum kort verblijf voor Frankrijk gekregen. Hij is vervolgens naar Nederland gekomen met de intentie niet terug te keren naar Marokko en een leven in Nederland op te bouwen. Verzoeker heeft tot 2017 illegaal in Nederland verbleven en is in die tijd ondersteund door zijn familie in Nederland. Hij Verzoeker is niet uit zichzelf naar Marokko teruggekeerd, maar aan hem is een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd en hij heeft in vreemdelingenbewaring gezeten. Het illegaal verblijf van verzoeker in Nederland is niet opgenomen in het bestreden besluit maar verweerder kan dat wel meenemen in de beslissing op zijn bezwaar.
Conclusie
7. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
8. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.K.H.E. Swinkels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.