ECLI:NL:RBDHA:2023:5444
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid relatie en bedreigingen
Eiser, een Algerijnse staatsburger, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van bedreigingen door de familie van een meisje met wie hij een relatie had. Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van het relaas, met name vanwege het niet noemen van de naam van het meisje, tegenstrijdigheden over de relatieperiode en onduidelijkheden over de bedreigingen.
De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat verweerder terecht het relaas ongeloofwaardig heeft bevonden. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende concrete en consistente verklaringen gaf over de relatie en de bedreigingen, en dat het niet noemen van de naam van het meisje afbreuk deed aan de geloofwaardigheid. Ook de argumenten van eiser over de geleidelijke relatie en het ontbreken van exacte tijdsaanduidingen werden niet overtuigend geacht.
Verder werd het beroep verworpen dat verweerder ten onrechte had meegewogen dat eiser in andere Europese landen was geweest zonder asiel aan te vragen en dat hij overlast had veroorzaakt. De rechtbank vond dat deze omstandigheden niet de beoordeling van het relaas hebben gekleurd. Ook het beroep dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar epileptische aanvallen faalde, omdat eiser dit niet met stukken onderbouwde.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van de Vreemdelingenwet en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.