ECLI:NL:RBDHA:2023:5535
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar
Verzoekster diende een aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf in, welke door verweerder op 7 juli 2021 werd afgewezen. Zij maakte bezwaar op 4 augustus 2021 en stelde op 15 september 2022 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op dit bezwaar. Verweerder nam alsnog een besluit op het bezwaar op 15 december 2022, waarna verzoekster haar beroep introk met een verzoek tot proceskostenvergoeding.
De rechtbank stelde vast dat verweerder aan verzoekster tegemoet was gekomen door alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar, waardoor het verzoek om proceskostenvergoeding gegrond werd verklaard. De proceskosten werden vastgesteld op €418,50, gebaseerd op een puntentelling en een lichte wegingsfactor vanwege de aard van het beroep.
De rechtbank wees erop dat verzoekster wegens betalingsonmacht was vrijgesteld van griffierecht, waardoor verweerder niet verplicht was dit te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter C.H. de Groot en griffier A.J. Kinds en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten van €418,50 aan verzoekster.