ECLI:NL:RBDHA:2023:560
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf voor gezinshereniging en proceskostenveroordeling
Verzoeker had een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd voor verblijf als familie- of gezinslid, maar deze werd aanvankelijk geweigerd. Het bezwaar van verzoeker tegen deze weigering werd door de staatssecretaris kennelijk ongegrond verklaard, waarna verzoeker beroep instelde bij de rechtbank.
Tijdens de procedure trok de staatssecretaris het eerdere besluit in, verklaarde het bezwaar alsnog gegrond en verleende de gevraagde mvv. Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht om veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris door het alsnog verlenen van de mvv geheel aan het beroep tegemoet was gekomen en dat het verzoek tot proceskostenveroordeling daarom kennelijk gegrond was. De proceskosten werden vastgesteld op € 837,-, exclusief het griffierecht dat verzoeker rechtstreeks bij de staatssecretaris kan verhalen.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de aanvraag voor machtiging voorlopig verblijf toe en veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van € 837,-.