Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], Frankrijk, eiser,
de Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder
de minister van Financiën, hierna: Belastingdienst
Rechtbank Den Haag
Eiser verzocht de Belastingdienst op 17 mei 2020 om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van artikel 15 van Pro de AVG. Na een klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) wees deze aanvankelijk de klacht af, maar bij het bestreden besluit van 11 juli 2022 verklaarde AP het bezwaar van eiser gegrond en berispte de Belastingdienst wegens het niet tijdig beslissen op het inzageverzoek.
Eiser stelde dat hij het besluit van de Belastingdienst nooit had ontvangen en vorderde een immateriële schadevergoeding van € 25.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn en onbehoorlijk bestuur. De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst als belanghebbende mocht deelnemen aan het geding en dat het bestreden besluit rechtmatig was, omdat AP aan het handhavingsverzoek had voldaan.
De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat eiser reeds de maximaal toegestane dwangsommen had ontvangen en de rechtbank niet bevoegd was om de Belastingdienst te veroordelen tot schadevergoeding. Ook werd vastgesteld dat de redelijke termijn niet was overschreden. Ten slotte oordeelde de rechtbank dat AP niet in strijd met de AVG had gehandeld bij de voorbereiding van het bestreden besluit.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.