In deze zaak staat een geschil centraal tussen de vereffenaar van de nalatenschap van de overleden erflater en gedaagde, die samen met erflater eigenaar was van een portefeuille van onroerende zaken. De samenwerking tussen erflater en gedaagde kwalificeert als een stille maatschap. Na het overlijden van erflater ontstond onenigheid over het beheer en de verdeling van het gezamenlijke onroerend goed.
De vereffenaar vordert onder meer dat gedaagde hem regelmatig informeert over het beheer, geen beheers- en beschikkingsdaden verricht zonder toestemming, en meewerkt aan verkoop van het onroerend goed. Gedaagde verzet zich tegen verkoop en stelt dat hij aanspraak kan maken op toedeling van het aandeel van erflater tegen vergoeding.
De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende aannemelijk is dat er al overeenstemming is over verkoop en dat een kort geding niet geschikt is om dit te bepalen. Wel wordt gedaagde veroordeeld om de vereffenaar ten minste tweewekelijks te informeren over het beheer en wordt hem verboden zonder toestemming beheers- en beschikkingsdaden te verrichten en huurpenningen anders aan te wenden dan voor de lopende lasten. De vordering tot medewerking aan verkoop wordt afgewezen. Partijen dragen elk hun eigen proceskosten.