ECLI:NL:RBDHA:2023:5780

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 april 2023
Publicatiedatum
21 april 2023
Zaaknummer
C/09/645346 / FT RK 23/281
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 sub d FwArt. 349a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende tussenliggende termijn

Verzoekster heeft op 4 april 2023 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (Wsnp). Tijdens de zitting op 18 april 2023 is het verzoek behandeld waarbij verzoekster en haar vertegenwoordigers zijn gehoord.

Uit de stukken blijkt dat verzoekster eerder een schuldsaneringsregeling heeft gehad vanaf 7 december 2010, die op 19 februari 2015 is beëindigd met een schone lei. Volgens artikel 288 lid 2 sub d van Pro de Faillissementswet is een nieuw verzoek afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaand aan het verzoek een schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest. Dit is een dwingende afwijzingsgrond.

De rechtbank volgt de vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de tienjaarsperiode begint te lopen na het verlenen van de schone lei. De rechtbank merkt op dat deze dwingende afwijzingsgrond zal vervallen na inwerkingtreding van een wetswijziging, maar dat op dit moment onduidelijk is wanneer deze in werking treedt. Verzoekster kan na die datum opnieuw een verzoek indienen.

De rechtbank wijst het verzoek af wegens het ontbreken van de vereiste tussenliggende termijn van tien jaar.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van een tussenliggende periode van tien jaar.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies
rekestnummer: C/09/645346 / FT RK 23/281
uitspraakdatum: 18 april 2023
[verzoekster],
wonende te [adres],
[postcode en woonplaats],
verzoekster,
heeft op 4 april 2023 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Dit verzoek is behandeld op de zitting van 18 april 2023. Verzoekster is verschenen en gehoord. Mede verschenen de zus van verzoekster mevrouw [zus], mevrouw [beschermingsbewindvoerder] beschermingsbewindvoerder van Stichting CAV en mevrouw [schuldhulpverlener] schuldhulpverlener van Kredietbank Nederland.
Uit de overgelegde stukken is het volgende gebleken.
Op verzoekster is eerder de schuldsaneringsregeling van toepassing geweest, namelijk vanaf 7 december 2010. Deze schuldsaneringsregeling is op 19 februari 2015 beëindigd door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst, verzoekster heeft een schone lei verkregen.
Uit artikel 288, tweede lid, onder d, van de Faillissementswet volgt dat een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift de schuldsaneringsregeling op schuldenares van toepassing is geweest, dit is een dwingende afwijzingsgrond. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad begint de tienjaarstermijn te lopen na afloop van de termijn bepaald in artikel 349a Faillissementswet (datum waarop de schone lei is verleend). Uit de wetsgeschiedenis volgt dat toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een kans op de schone lei inhoudt, die in beginsel slechts eenmaal in de tien jaar wordt geboden. Dit betekent dat het verzoek op dit moment dient te worden afgewezen.
Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat de hierboven genoemde dwingende afwijzingsgrond vervalt na de inwerkingtreding van het recent aangenomen wetsvoorstel tot wijziging van de Faillissementswet. Op dit moment is onduidelijk wanneer deze wet in werking treedt. Het staat verzoekster vrij na inwerkingtreding van voornoemd wetsvoorstel een nieuw verzoek tot toelating van de schuldsaneringsregeling in te dienen.

BESLISSING

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van:
[verzoekster]
wonende te [adres],
[postcode en woonplaats].
Gewezen door mr. A.C.M. Höppener en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2023 in tegenwoordigheid van A. van Groningen Schinkel, griffier.