ECLI:NL:RBDHA:2023:5848

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2023
Publicatiedatum
24 april 2023
Zaaknummer
21/3159
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Verzoekster had beroep ingesteld tegen het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen om haar rijbewijs ongeldig te verklaren. Na een zitting op 12 april 2022 trok verweerder het bestreden besluit in en verklaarde het bezwaar gegrond. Hierop trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank beoordeelde het verzoek op grond van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Omdat verweerder geheel aan het beroep tegemoet was gekomen, werd het verzoek om proceskostenveroordeling als gegrond beschouwd.

De rechtbank stelde de proceskosten vast op €1.674,- voor rechtsbijstand en €14,90 voor reiskosten openbaar vervoer. Daarnaast wees de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het griffierecht van €181,- te vergoeden. De totale proceskostenveroordeling bedroeg €1.688,90.

De uitspraak werd gedaan door rechter R.H. Smits op 24 maart 2023 en is verzonden aan partijen. Verzoekster kan zich rechtstreeks tot verweerder wenden voor het griffierecht.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €1.688,90 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/3159

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2023 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. I.L. Ortelee),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).

Procesverloop

In het besluit van 11 november 2020 (primair besluit) heeft verweerder het rijbewijs van eiseres met ingang van 18 november 2020 ongeldig verklaard.
In het besluit van 17 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting in de heeft plaatsgevonden op 12 april 2022. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In het besluit van 20 juli 2022 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en in plaats daarvan besloten dat het bezwaar van eiseres gegrond is.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft hierop niet gereageerd.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1).
Verzoekster heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte reiskosten met de auto. Voor vergoeding van reiskosten wordt een tarief gehanteerd waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar vervoer, 2e klas. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bpb begroot de rechtbank deze kosten op in totaal € 14,90 (retour Reinaertplein 15 Gouda-Den Haag centraal OV 2e klasse).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 181,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.688,90.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.