Verzoeker, een Oekraïense vreemdeling die sinds juli 2021 niet meer in Oekraïne verbleef, vroeg om een verblijfssticker op grond van Richtlijn 2001/55/EG voor tijdelijke bescherming. Verweerder weigerde dit omdat verzoeker niet tot de doelgroep behoort die onder deze richtlijn valt, mede omdat hij Oekraïne vóór 24 februari 2022 had verlaten.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten en zijn verblijfssticker te verkrijgen zodat hij kon blijven werken. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen spoedeisend belang had en dat de gemeentelijke voorzieningen en opvang, hoewel onzeker, voldoende zijn. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat verzoeker onder de richtlijn valt.
De voorzieningenrechter constateerde motiveringsgebreken in het besluit, maar achtte deze herstelbaar in de bezwaarprocedure. De belangenafweging leidde tot afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker kan bij beëindiging van opvang opnieuw opvang aanvragen en heeft recht op medische zorg. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.