ECLI:NL:RBDHA:2023:5902
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek naturalisatie minderjarige zoon wegens verblijfsgat bevestigd
De rechtbank Den Haag heeft op 25 april 2023 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin de wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige zoon beroep instelde tegen de afwijzing van diens naturalisatieverzoek. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had het verzoek op 8 oktober 2021 afgewezen vanwege het ontbreken van een onafgebroken verblijf van drie jaar voorafgaand aan het verzoek, veroorzaakt door een verblijfsgat van november 2017 tot mei 2020.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris het besluit voldoende had gemotiveerd en dat de wetstekst van artikel 11, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) helder is, waardoor het verblijfsgat niet buiten beschouwing kan worden gelaten. Argumenten van de eiser dat het verblijfsgat niet aan zijn zoon kan worden toegerekend en dat er sprake is van inburgering werden verworpen.
Ook de door eiser aangevoerde internationale rechtsnormen, waaronder het EU-Handvest en het IVRK, boden geen grond om het verblijfsgat niet tegen te werpen. De rechtbank stelde vast dat de staatssecretaris de belangen van de zoon heeft meegewogen en dat er geen sprake is van schending van de hoorplicht. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het naturalisatieverzoek definitief werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek van de zoon wordt ongegrond verklaard vanwege het verblijfsgat.