ECLI:NL:RBDHA:2023:5951
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid na turboliquidatie vennootschap
Eind 2018 sloot eiser een overeenkomst met een dochtervennootschap van de door gedaagde bestuurde holding, waarbij werkzaamheden werden verricht en gefactureerd. Een deel van de facturen bleef onbetaald, waarna eiser de overeenkomst ontbond en een vonnis verkreeg tegen de vennootschap. De vennootschap werd later via turboliquidatie ontbonden door gedaagde terwijl nog schulden openstonden.
Eiser vordert bestuurdersaansprakelijkheid van gedaagde wegens het aangaan van de overeenkomst terwijl de vennootschap niet kon betalen, het niet naleven van administratie- en publicatieverplichtingen, selectief betalen van schuldeisers, misbruik van entiteiten en frustratie van executie. De rechtbank beoordeelt de stellingen en concludeert dat eiser onvoldoende feiten en bewijs heeft geleverd om een ernstig persoonlijk verwijt aan gedaagde toe te rekenen.
De rechtbank oordeelt dat de vennootschap in 2018 en 2019 financieel niet in zwaar weer verkeerde, dat de administratie- en publicatieverplichtingen niet leiden tot aansprakelijkheid buiten faillissement, dat selectief betalen niet onrechtmatig is zonder bijzondere omstandigheden, dat het vermeende misbruik van entiteiten onvoldoende is onderbouwd en dat frustratie van executie niet is aangetoond.
De turboliquidatie was rechtmatig omdat de vennootschap geen baten meer had ten tijde van ontbinding. De wetswijziging die de positie van schuldeisers bij turboliquidatie versterkt, is niet van toepassing op dit geval. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen tot bestuurdersaansprakelijkheid worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatig handelen.