Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn van 90 dagen heeft beslist en dat de beslistermijn bovendien met drie maanden was verlengd, waardoor de uiterste beslisdatum 18 november 2022 was. Omdat verweerder na ingebrekestelling op 29 november 2022 niet heeft beslist, is het beroep tijdig en gegrond.
De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van griffierecht toe en bepaalt dat verweerder binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Voor elke dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van € 100 opgelegd, met een maximum van € 7.500. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van reeds verbeurde dwangsommen van € 1.442 en proceskosten van € 418,50.
De rechtbank verwijst voor de motivering naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Arnhem en een arrest van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De langere termijn van twintig weken wordt als passend beschouwd gezien de complexiteit en het feit dat verweerder nog niet aan de aanvraag was toegekomen. Hiermee wordt verweerder gedwongen binnen deze termijn te beslissen, met financiële sancties bij overschrijding.