Verzoekers hebben op 21 december 2022 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf van 2 mei 2022. Verweerder heeft bij besluit van 29 maart 2023 de aanvraag afgewezen. Omdat verweerder niet binnen de geldende termijn heeft beslist en de aanvraag hangende het beroep heeft afgewezen, is verweerder geheel tegemoetgekomen aan het beroep.
Verzoekers hebben het beroep vervolgens ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 8:75a van de Awb de rechtbank bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming het bestuursorgaan kan veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank stelt de proceskosten vast op €418,50, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor 'licht' vanwege de beperkte aard van het beroep. Tevens wordt het griffierecht van €184 aan verzoekers vergoed. De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van deze kosten.