ECLI:NL:RBDHA:2023:6048
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielaanvraag aan Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiser, van Syrische nationaliteit, betwist het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht geen uitstel heeft verleend voor het indienen van correcties en aanvullingen op het Dublingehoor, aangezien de gemachtigde haar vakantie niet minimaal een maand van tevoren schriftelijk had gemeld, conform de Vreemdelingencirculaire 2000. Daarnaast is het beroep ongegrond omdat de medische situatie van de broer van eiser in Nederland onvoldoende is om toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening te rechtvaardigen.
De rechtbank stelt dat de staatssecretaris terughoudendheid betracht bij toepassing van de hardheidsclausule en dat de aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat de overdracht aan Duitsland onevenredige hardheid oplevert. Ook is het niet onzorgvuldig dat de staatssecretaris pas in het bestreden besluit melding maakte van het ontbreken van medische stukken en instemmingsverklaring, omdat eiser deze informatie tijdens het aanmeldgehoor niet heeft verstrekt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot overdracht van de asielaanvraag aan Duitsland blijft in stand.