ECLI:NL:RBDHA:2023:6084

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 april 2023
Publicatiedatum
26 april 2023
Zaaknummer
NL23.4862
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 EU-Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Nederland had op 18 november 2022 een verzoek tot terugname aan Zwitserland gedaan, dat op 25 november 2022 werd aanvaard.

Eiser betoogde dat Zwitserland niet kan worden vertrouwd vanwege vermeende schendingen van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro-Handvest, onderbouwd met rapporten van de Human Rights Council en de Asylum Information Database. Hij vreesde terugkeer naar zijn land van herkomst zonder adequate beoordeling van zijn asielaanvraag en stelde dat hij als vluchteling bijzonder kwetsbaar is.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Zwitserland en dat eiser onvoldoende concrete informatie heeft geleverd die wijst op systematische tekortkomingen in het Zwitserse asiel- en opvangsysteem. De aangehaalde rapporten en jurisprudentie boden geen aanleiding om het vertrouwen in Zwitserland te ondermijnen.

De rechtbank concludeerde dat verweerder niet verplicht was nader onderzoek te doen naar de behandeling van de aanvraag in Zwitserland of de opvang van eiser daar. Klachten over eventuele tekortkomingen dienen bij de Zwitserse autoriteiten te worden ingediend. Het beroep werd dan ook kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.4862

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft eiser een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL23.4863. Hierop zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland op 18 november 2022 een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard op 25 november 2022.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert, onder herhaling en inlassing van de zienswijze, het volgende aan. Eiser meent dat ten aanzien van Zwitserland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zwitserland houdt zich niet aan artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het EU-Handvest. Dit blijkt volgens eiser onder andere uit het verslag van Human Rights Council van 26 augustus 2022. Eiser vreest dat hij zal worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst. Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat geen sprake zou zijn van bijzondere kwetsbaarheid in het geval van eiser. Eiser meent dat, hoewel het arrest Tarakhel betrekking heeft op een gezin met minderjarige kinderen, vluchtelingen per definitie bijzonder kwetsbaar zijn. Gelet op eisers ervaringen in Zwitserland, zijn geestelijke gezondheid, gekoppeld aan de algemene omstandigheden in Zwitserland, is sprake van ernstige tekortkomingen in het Zwitserse asielsysteem. Zwitserland zal eisers asielaanvraag na overdracht gelet op het Zwitserse beleid niet opnieuw inhoudelijk beoordelen. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt verwezen naar het rapport van de Asylum Information Database van 2021. Voorts verwijst eiser naar het arrest M.S.S. en stelt dat verweerder ten onrechte concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Zwitserland een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het EU-Handvest. Eiser komt buiten zijn wil en eigen keuze in een toestand van zeer vergaande materiele deprivatie terecht als bedoeld in het arrest Jawo. Aangezien eiser op de vlucht is, is het een feit dat een vluchteling doorgaans niet goed is gedocumenteerd. Dit kan redelijkerwijs ook niet van eiser worden verwacht.
4. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Zwitserland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hierin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Eiser heeft geen concrete informatie overgelegd die aanleiding geeft voor het oordeel dat sprake is van systematische tekortkomingen in het Zwitserse asiel- en opvangsysteem. De rechtbank heeft daarnaast geen concrete aanknopingspunten om te concluderen dat Zwitserland bij de behandeling van het asielverzoek niet toetst aan artikel 4 van Pro het EU-Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. De door eiser aangehaalde rapporten geven geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Met het gegeven claimakkoord garandeert Zwitserland bovendien dat eisers asielverzoek in behandeling zal worden genomen en dat zijn situatie zal worden beoordeeld met toepassing van alle voor Zwitserland geldende Europese wet- en regelgeving op het gebied van het asielrecht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om eiser in zijn betoog te volgen dat verweerder onderzoek moet doen of eisers aanvraag in Zwitserland in behandeling wordt genomen en of hij gedurende die behandeling opvang kan genieten. Als eiser toch in Zwitserland wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielverzoek, in de opvangvoorzieningen, of anderszins, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Zwitserse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. Ook hierbij ligt de bewijslast in de eerste plaats bij eiser.
5. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de door eiser genoemde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder heeft dit standpunt voldoende gemotiveerd. De rechtbank verwijst hierbij ook naar het voorgaande.
6. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.