ECLI:NL:RBDHA:2023:6087
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in Dublin-zaak verblijfsvergunning asiel
Verzoeker, een Algerijnse asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid weigerde deze aanvraag in behandeling te nemen op grond van het Dublin-verdrag, omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van het asielverzoek.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tegelijkertijd de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter besloot op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak te doen.
Op dezelfde dag werd in een andere zaak (NL23.8660) uitspraak gedaan op het beroep zelf, waardoor de voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening niet langer nodig was. Het verzoek werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep gelijktijdig is behandeld.