Eiser, een Indiase student, diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf om zijn zus in Nederland te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af vanwege twijfel over het voornemen van eiser om Nederland tijdig te verlaten, waarbij onvoldoende rekening werd gehouden met zijn sociale en economische binding met India.
De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte geen volledige motivering gaf over de economische binding, aangezien eiser een studie volgt die al ver gevorderd is. Ook werd onvoldoende aandacht besteed aan de sociale binding, zoals de rol van eiser als enige man in huis na het overlijden van zijn vader.
Verder werd vastgesteld dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden, omdat verweerder niet is ingegaan op de door eiser aangeboden waarborgsom en geen gehoor gaf in bezwaar, terwijl dit wel had gemoeten gezien de omstandigheden.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.