ECLI:NL:RBDHA:2023:6233

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 april 2023
Publicatiedatum
1 mei 2023
Zaaknummer
NL23.10878
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000

Eiser, van Georgische nationaliteit, is op 9 april 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken.

Eiser betwistte de zwaarste gronden voor de maatregel, met name dat hij te kennen zou hebben gegeven geen gevolg te geven aan zijn vertrekverplichting, en voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast. Verweerder liet enkele gronden vallen, maar handhaafde de belangrijkste.

De rechtbank oordeelde dat eiser inderdaad heeft aangegeven niet zelfstandig te kunnen vertrekken en dat hij zich onrechtmatig in Nederland bevond en niet aan meldingsverplichtingen had voldaan. Gezien deze feiten is het risico op onttrekking aan het toezicht aannemelijk en is de maatregel gerechtvaardigd.

De rechtbank vond dat geen minder dwingende maatregel adequaat was en dat de detentie niet onevenredig bezwarend was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.10878

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 18 april 2023 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 19 april 2023 gereageerd. De rechtbank heeft op 21 april 2023 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser stelt van Georgische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1990.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
Wat vinden partijen in beroep?
3. De gemachtigde van eiser betwist allereerst zware grond 3i. Niet zou uit het dossier blijken dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Verder voert de gemachtigde van eiser aan dat zware grond 3b en 3c over dezelfde omstandigheden gaan en dat in dit kader van belang is dat de aanzegging om Nederland te verlaten vrij recent is. Gelet daarop en op het feit dat eiser niet genoeg geld had om zelf te vertrekken, had verweerder met een lichter middel moeten volstaan. Tot slot betwist de gemachtigde van eiser alle lichte gronden. Niet blijkt uit de opgelegde maatregel of uit het dossier dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en dat hij niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Dat eiser verdachte is van een misdrijf en dat hij arbeid heeft verricht in strijd met de Wav (wat volgens de gemachtigde van eiser overigens niet blijkt uit het dossier) houdt geen verband met het gestelde risico op onttrekking aan het toezicht.
4. Verweerder heeft de zware grond 3c en de lichte gronden 4d, 4e en 4f in beroep laten vallen. Verweerder handhaaft de overige gronden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5.1.
De rechtbank volgt het betoog van eiser over zware grond 3i niet. Uit het gehoor van 9 april 2023 blijkt dat eiser wel degelijk te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Zo wordt aan eiser gevraagd hoe hij denkt over zijn vertrekverplichting, waarop hij antwoordt “Ik wil en kan niet zelfstandig vertrekken, ik heb geen geld”. Deze zware grond heeft verweerder dus terecht tegengeworpen.
Ook zware grond 3b heeft verweerder terecht tegengeworpen. Eiser verbleef onrechtmatig in Nederland en heeft daarvan geen melding gedaan. Ook heeft hij zich niet gehouden aan een vordering van de AVIM om zich te melden voor zelfstandig vertrek.
Gelet op het voorgaande zijn er voldoende gronden om ten aanzien van eiser het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen en de maatregel te rechtvaardigen.
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Hierbij is onder meer van belang dat met eiser was afgesproken dat hij op 12 januari 2023 bij de AVIM zou verschijnen om een ticket te tonen voor zelfstandig vertrek, maar dat hij zich niet aan deze afspraak heeft gehouden. Zoals verweerder verder heeft overwogen, heeft eiser geen omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen van een minder dwingende maatregel en is ook niet gebleken van omstandigheden die de detentie onevenredig bezwarend maken voor eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wat is de conclusie?
6. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.