ECLI:NL:RBDHA:2023:6261

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 april 2023
Publicatiedatum
2 mei 2023
Zaaknummer
NL23.8600
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b VbDublinverordeningTerugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid bewaring en overdrachtsbesluit vreemdeling naar Oostenrijk

Eiser, een Indiase vreemdeling die onrechtmatig in Nederland verblijft, werd op 21 maart 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel was gericht op zijn overdracht naar Oostenrijk, waar hij asiel had aangevraagd. Eiser voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was omdat hij bezig was met vrijwillig vertrek naar India via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en dat de maatregel de zelfstandige vertrekmogelijkheid doorkruist.

De rechtbank oordeelde dat de bewaring rechtmatig was omdat eiser zich onrechtmatig in Nederland bevond en er een concreet aanknopingspunt was voor overdracht naar Oostenrijk op basis van de Dublinverordening. Verweerder had voldoende voortvarend gehandeld door tijdig een claimverzoek bij Oostenrijk in te dienen en een overdrachtsbesluit uit te vaardigen. De trajecten van overdracht naar Oostenrijk en vrijwillig vertrek naar India kunnen parallel lopen zonder elkaar te frustreren.

Eiser stelde ook dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, gezien zijn vermeende zelfstandige vertrekmogelijkheden. De rechtbank verwierp dit omdat er een significant risico bestond dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, hij geen geldig paspoort had en bereid was mensensmokkel in te schakelen. Ook medische omstandigheden gaven geen aanleiding tot een lichter middel.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.8600
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Indiase nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1987.
Is de maatregel van bewaring rechtmatig?
2. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. De maatregel van bewaring is op 21 maart 2023 opgelegd. Toen was voor verweerder al duidelijk dat eiser bezig was met vrijwillig vertrek naar India met de hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Verweerder heeft toch een maatregel van bewaring opgelegd met het oog op overdracht naar Oostenrijk. Daarmee doorkruist verweerder de zelfstandige vertrekmogelijkheid van eiser, wat in strijd is met de Terugkeerrichtlijn.
3. De beroepsgrond slaagt niet. Eiser verblijft onrechtmatig in Nederland. Uit de Eurodac-registratie blijkt dat hij in Oostenrijk asiel heeft aangevraagd. Dit betekent dat eiser in beginsel in bewaring mag worden gesteld om te worden overgedragen naar Oostenrijk. Aan deze bevoegdheid staat niet in de weg dat eiser kenbaar heeft gemaakt dat hij met de
hulp van de IOM wil vertrekken naar India. Dit vooral niet, omdat nog niet duidelijk is of een zelfstandige vertrek van eiser naar India daadwerkelijk bewerkstelligd zal worden.
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
5. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet betwist. Op dit onderdeel heeft de rechtbank ambtshalve toetsend geen onrechtmatigheden aangetroffen.
Heeft verweerder voortvarend gehandeld?
6. Eiser stelt dat verweerder zijn overdracht naar Oostenrijk onvoldoende voortvarend ter hand heeft genomen. Hij voert daartoe aan dat hij vanaf 20 februari 2023 in strafrechtelijke detentie heeft doorgebracht en dat hij aansluitend in vreemdelingenbewaring is gesteld. Verweerder heeft de periode vanaf 20 februari 2023 niet gebruikt om de overdracht al voor te bereiden. Eiser stelt verder dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt door voorrang te geven aan een overdracht naar Oostenrijk boven het faciliteren van een vrijwillig vertrek naar India.
7. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgronden falen. Zij overweegt daartoe als volgt.
8. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 3 maart 2023 een claimverzoek heeft ingediend bij de Oostenrijkse autoriteiten. De verantwoordelijkheid van Oostenrijk voor eiser is op 18 maart 2023 komen vast te staan. Deze relevante stappen hebben verweerder in staat gesteld om op 22 maart 2023 ten aanzien van eiser een overdrachtsbesluit uit te vaardigen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee in voldoende mate heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting om de overdracht van eiser al tijdens diens strafrechtelijke detentie voor te bereiden.
9. Verweerder beoogt eiser uit Nederland te verwijderen. Er bestaat een reële mogelijkheid daartoe in de vorm van een overdracht naar Oostenrijk. Er rust op verweerder geen verplichting om (tevens) een vertrek van eiser naar India te faciliteren. Dat verweerder inzet op een overdracht naar Oostenrijk, leidt niet tot frustratie of vertraging van een eventueel zelfstandig vertrek van eiser naar India. Deze trajecten kunnen immers parallel aan elkaar bestaan. Van enig onvoldoende voortvarend handelen in dit verband is de rechtbank niet gebleken.
Het lichter middel
10. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Het is namelijk realistisch dat eiser zelfstandig naar India kan en zal vertrekken.
11. Deze beroepsgrond slaagt niet. De gronden van de maatregel veronderstellen dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Daarbij komt dat in dit stadium onduidelijk is of een vertrek naar India doorgang zal vinden. Eiser is namelijk vaag over zijn gewenste bestemming. Hij wenst niet naar Oostenrijk te gaan, heeft geen geldig paspoort en is zelfs bereid om een mensensmokkelaar te benaderen. Het valt daardoor ernstig te betwijfelen of een lichter middel voldoende garantie biedt dat het beoogde doel van verweerder, namelijk de overdracht van eiser naar Oostenrijk, zal worden bereikt. Ook in de medische omstandigheden van eiser (een hoge bloeddruk en het gebruik van pijnstillers) heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om te volstaan met het opleggen van een lichter middel.
Conclusie
12. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is1, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
1. ECLI:EU:C:2022:858.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 april 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.