ECLI:NL:RBDHA:2023:6272

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 april 2023
Publicatiedatum
2 mei 2023
Zaaknummer
NL23.9246
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 106 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenzaak

Eiser, een Eritrese vreemdeling, kreeg op 22 maart 2023 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd later opgeheven en vervangen door een nieuwe maatregel op basis van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van dezelfde wet. Het beroep richt zich uitsluitend op de eerste maatregel van bewaring.

De rechtbank beoordeelt of de tenuitvoerlegging van deze eerste maatregel onrechtmatig was en of eiser aanspraak kan maken op schadevergoeding. Verweerder stelde dat er voldoende zware gronden waren, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en het niet naleven van vertrekverplichtingen. Eiser betwistte deze gronden niet, maar stelde dat een lichter middel volstond omdat hij bereid was terug te keren naar Duitsland.

De rechtbank oordeelt dat de zware gronden feitelijk juist en voldoende zijn en dat verweerder terecht geen lichter middel heeft toegepast gezien het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. De maatregel was daarom niet onrechtmatig. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.9246
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.J. Portegies),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 31 maart 2023 de maatregel van bewaring opgeheven. Direct aansluitend heeft verweerder een nieuwe maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Ibrahim. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998.
2. In deze zaak ligt alleen de eerste maatregel van bewaring, die is opgelegd op grond van 59a, eerste lid, van de Vw, ter beoordeling voor.
3. Omdat deze maatregel van bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven
vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De gronden van de maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden onder 3a en 3c feitelijk juist zijn. Eiser heeft deze en de andere gronden van de maatregel ook niet betwist. De zware gronden onder 3a en 3c zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De rechtbank laat een bespreking van de overige gronden dan ook achterwege.
Het lichter middel
6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij bereid is om terug te keren naar Duitsland. Hij heeft geen contacten in Nederland. Als hij hier niet mag blijven, dan gaat hij liever naar Duitsland.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. De gronden van de maatregel veronderstellen dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Zo heeft eiser zich meerdere keren niet gehouden aan een bevel tot terugkeer naar Duitsland. In de door eiser gestelde omstandigheden heeft verweerder daarom geen aanleiding hoeven zien om te volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Een lichter middel garandeert immers niet dat eiser Nederland zal verlaten en dat hij zelfstandig naar Duitsland zal vertrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is1, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. ECLI:EU:C:2022:858.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 april 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.