ECLI:NL:RBDHA:2023:6301

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2023
Publicatiedatum
2 mei 2023
Zaaknummer
22/6877
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens verlenen machtiging tot voorlopig verblijf

Verzoekers, allen van Syrische nationaliteit, hadden beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) van 28 maart 2022. Op 7 februari 2023 verleende de Staatssecretaris alsnog de mvv-aanvraag, waarna verzoekers hun beroep introkken en proceskostenvergoeding vorderden.

De rechtbank stelde de Staatssecretaris in de gelegenheid te reageren op het verzoek om proceskostenvergoeding. Deze reageerde niet tegen de veroordeling in proceskosten. De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris tegemoet was gekomen aan het beroep en dat het verzoek om proceskostenvergoeding kennelijk gegrond was.

Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) veroordeelde de rechtbank de Staatssecretaris tot vergoeding van € 418,50 aan proceskosten, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast wees de rechtbank op de verplichting van de Staatssecretaris tot vergoeding van het griffierecht van € 184,- volgens artikel 8:41, zevende lid, Awb.

Deze uitspraak werd gedaan door rechter C.H. de Groot en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl op 2 mei 2023.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot vergoeding van € 418,50 aan proceskosten na intrekking van het beroep wegens het alsnog verlenen van de machtiging tot voorlopig verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/6877

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2023 in de zaak tussen

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer] ,
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer] ,
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer] ,
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer] ,
allen van Syrische nationaliteit,
hierna verzoekers
(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: M. Berrich).

Procesverloop

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op hun aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) van 28 maart 2022.
In het besluit van 7 februari 2023 heeft verweerder de mvv aanvraag verleend.
Naar aanleiding hiervan hebben verzoekers het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft hierop niet gereageerd. In het verweerschrift van 29 november 2022 heeft verweerder aangegeven zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekers.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 0,5).
5. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden. Verzoekers zullen zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Karsowidjojo, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.