Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:652

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2023
Publicatiedatum
25 januari 2023
Zaaknummer
21/1642
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 ZvwVerordening (EG) nr. 883/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond: geen verdragsgerechtigdheid Zvw per 30 juni 2020 en geen buitenlandbijdrage verschuldigd

Eiser, een Nederlandse gepensioneerde woonachtig in Spanje, werd sinds 2013 als verdragsgerechtigde op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) aangemerkt, waardoor hij recht had op zorg in Spanje en een buitenlandbijdrage moest betalen. Na het bevriezen van zijn WIA-uitkering in 2020 nam het CAK het besluit dat eiser vanaf 30 juni 2020 niet langer verdragsgerechtigd was.

Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat hij wel premie had betaald, maar geen zorg had ontvangen en dat hij niet had ingestemd met het stopzetten van zijn uitkering. De rechtbank oordeelde dat eiser niet meer tegen het oorspronkelijke besluit uit 2013 kan opkomen en dat het geschil zich richt op de vraag of de beëindiging van de verdragsgerechtigdheid per 30 juni 2020 terecht was.

De rechtbank concludeerde dat de uitbetaling van de WIA-uitkering vanaf 1 juli 2020 was gestopt en dat het CAK eiser correct had afgemeld bij de Spaanse zorginstantie INSS. Hierdoor was eiser vanaf die datum niet langer verdragsgerechtigd en niet meer bijdrageplichtig. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en bevestigd dat hij vanaf 30 juni 2020 niet langer verdragsgerechtigd is en geen buitenlandbijdrage verschuldigd is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/1642 ZVW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats/streek], Spanje, eiser

en

het Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder

gemachtigde: mr. J.M. Nijman

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij met ingang van 30 juni 2020 niet langer verdragsgerechtigd op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is.
Bij besluit van 11 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 december 2022 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder middels een videoverbinding deelgenomen. Eiser is met bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en woont sinds 2013 in Spanje. Hij ontvangt een (wettelijk) pensioen (WIA) uit Nederland. Hij is ingeschreven bij de Dirección Provincial del Instituta Nacional de la Secuguridad Social de Málaga (INSS). Het College voor zorgverzekeringen (Cvz) heeft eiser bij besluit van 7 maart 2013 op grond van de Zvw als verdragsgerechtigde aangemerkt. Eiser heeft vanaf die datum daarom met toepassing van de Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) recht op zorg in het woonland Spanje, ten laste van pensioenland Nederland. Voor dit recht op zorg is eiser een buitenlandbijdrage verschuldigd die wordt ingehouden op zijn invaliditeitspensioen.
2. Eiser heeft op 2 september 2019 bij verweerder een klacht ingediend over de kwaliteit van de zorg in zijn woonland Spanje. Eiser heeft verweerder te kennen gegeven van hem af te willen, omdat hij vindt dat verweerder geen verantwoordelijkheid neemt om de kwaliteit van de Spaanse zorg te verbeteren.
Eiser heeft daarom de uitbetaling van zijn WIA-uitkering laten bevriezen. Dat heeft ertoe geleid dat verweerder, na de melding van het UWV dat eisers WIA-uitkering (tijdelijk) is stopgezet, het primaire besluit heeft genomen.
3. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
4. Verweerder heeft het primaire besluit gehandhaafd en heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
4.1
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser met ingang van 30 juni 2020 niet langer verdragsgerechtigd is op grond van de Zvw.
5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij over de periode vóór het bestreden besluit premie heeft betaald aan verweerder, maar dat van enige geleverde dienst niet is gebleken. De door hem gemaakte ziektekosten zijn niet vergoed. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat eiser geen bezwaar meer kan maken tegen het besluit van 7 maart 2013, waarbij is vastgesteld dat hij verdragsgerechtigd is, omdat hij daartegen niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Eiser heeft in 2020 en 2021 geen gebruik gemaakt van de Spaanse gezondheidszorg en is dat ook niet van plan. Hij heeft daarom geen premie betaald.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
6.1
De rechtbank stelt voorop dat eiser niet meer kan opkomen tegen het besluit van 7 maart 2013, waarbij hij als verdragsgerechtigde was aangemerkt. Hij heeft daar destijds geen rechtsmiddelen tegen aangewend. Hierdoor staat in ieder geval vast dat hij vanaf 1 maart 2013 terecht als verdragsgerechtigde was aangemerkt. [1]
6.2
De rechtbank stelt vervolgens vast dat het besluit van verweerder slechts ziet op de vraag of eiser met ingang van 30 juni 2020 niet langer verdragsgerechtigd is op grond van de Zvw en daarom geen buitenlandbijdrage is verschuldigd.
6.3
De uitbetaling van zijn WIA-uitkering is met ingang van 1 juli 2020 gestopt. Verweerder heeft eiser op 2 oktober 2020 afgemeld bij de INSS, zo blijkt uit het dossier. Dat betekent dat eiser hoe dan ook vanaf 1 juli 2020 niet verdragsgerechtigd en dus niet langer bijdrageplichtig was. De rechtbank acht het standpunt van verweerder dus juist. In het betoog van eiser, dat zich kennelijk niet richt op dit standpunt van verweerder, maar veeleer op de vraag of eiser voorafgaand aan 1 juli 2020 verdragsgerechtigd was, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
7.
Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van de Wetering, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.zie de uitspraak van deze rechtbank van 18 maart 2020;